Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 24 april 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:3862
Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW opgezegd en is om die reden gehouden (achterstallig) loon en emolumenten te betalen.

Feiten

In de beschikking van 3 februari 2020 is werkgever toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat bedrijf II de activiteiten van bedrijf I heeft overgenomen en feitelijk heeft voortgezet. Werkgever heeft enkele producties in het geding gebracht.

Oordeel

Nog afgezien van de omstandigheid dat de overgelegde producties zonder enige toelichting in het beding zijn gebracht en onduidelijk is wie de verklaringen heeft opgesteld, moet worden vastgesteld dat het benodigde bewijs niet uit de stukken kan worden afgeleid. Dit betekent dat werkgever niet is geslaagd in zijn bewijslevering en er niet van uit kan worden gegaan dat sprake is van een overgang van onderneming. Nu het dienstverband van werknemer niet is overgegaan, moet de brief van bedrijf I aan werknemer worden beschouwd als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Nu geen sprake is van een van de geldende wettelijke opzeggingsgronden en werknemer niet heeft ingestemd met de beëindiging, is sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW. De in dat verband gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar.

Vergoedingen

De (hoogte van de) transitievergoeding is niet betwist en wordt toegewezen. Daarnaast wordt er een vergoeding toegewezen die gelijk is aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Tussen partijen is niet in geschil dat het loon en de vakantietoeslag voor de maanden juli en augustus onbetaald is gelaten. Nu werknemer echter al aanspraak maakt op vergoeding wegens onregelmatige opzegging, heeft werknemer alleen nog recht op loon en vakantietoeslag over de periode van 1 juli tot 17 juli 2019. Daarnaast wordt aan werknemer een billijke vergoeding toegekend van € 2.500 (netto) toegekend. Dit bedrag heeft werknemer echter al ontvangen, en de kantonrechter had reeds in voormelde beschikking overwogen dat dit bedrag in mindering strekte op de door werknemer verzochte bedragen, zodat de gevorderde billijke vergoeding wordt afgewezen.