Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 9 oktober 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:14806
Feiten
Op 29 september 1992 is werknemer gedurende de vervulling van zijn militaire dienstplicht een dienstongeval overkomen. Hij is daarbij door een vuurwapen in de rug geschoten en heeft daardoor een dwarslaesie opgelopen. Werknemer is door het ongeval arbeidsongeschikt geraakt en kreeg een uitkering. Werknemer is ondanks zijn beperkingen in 1998 gaan werken en heeft vervolgens gedurende langere tijd inkomen uit arbeid gegenereerd. Bij besluit van 23 april 1999 heeft de Staat aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Partijen hebben vervolgens onderhandeld over de afwikkeling van de schade. In het kader van deze onderhandelingen heeft Bureau Pals op 11 april 2001 een berekening van de schade van werknemer opgesteld. Op 14 oktober 2003 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van hun geschil over het dienstongeval. Partijen zijn overeengekomen dat de Staat aan werknemer een slotbetaling doet ter zake van materiële en immateriële schade tegen finale kwijting. Tot en met juni 2012 heeft werknemer in loondienst gewerkt, daarna nog enige tijd als zelfstandige (zzp’er). In het najaar van 2016 is werknemer volledig arbeidsongeschikt geraakt, waardoor hij sindsdien geen inkomen uit arbeid meer heeft. Zijn inkomen bestaat sindsdien alleen nog uit het invaliditeitspensioen. Vanwege het verlies van zijn inkomen uit arbeid heeft werknemer het UWV verzocht om de korting op de Wamil-uitkering te beëindigen, zodat ook deze laatste weer tot uitbetaling zou komen. Het UWV heeft dit geweigerd, omdat niet de inkomsten uit arbeid op de Wamil-uitkering werden gekort maar het invaliditeitspensioen. Het UWV verwierp de vaststellingsovereenkomst, omdat hetgeen daarin is overeengekomen geen betrekking heeft op het Wamil-recht maar op het pensioenrecht. Zowel in de WIA als de in WAO is een zogenoemde anticumulatiebepaling opgenomen om samenloop van een WIA- of WAO-uitkering met een Wamil-uitkering te voorkomen. Werknemer heeft zich tot de Staat gewend met het verzoek hem schadeloos te stellen voor het feit dat hij niet in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering naast het invaliditeitspensioen. Werknemer vordert vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling.
Oordeel
Het beroep op dwaling slaagt. De rechtbank neemt aan dat zowel werknemer als de Staat ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst er ten onrechte van uit is gegaan dat werknemer zou kunnen terugvallen op een inkomensvervangende voorziening (WAO, thans WIA) naast het invaliditeitspensioen, wanneer hij op enig moment zijn verdienvermogen alsnog zou verliezen en dus zou uitvallen voor loonvormende arbeid. Beide partijen hebben daarbij niet op het netvlies gehad dat de belemmering van deze samenloop niet was gelegen in het invaliditeitspensioen, maar in het bestaan van een Wamil-recht, dat in de praktijk nooit tot uitkering was gekomen. Het verweer van de Staat dat de dwaling voor rekening van werknemer moet blijven, slaagt niet. De Staat was immers aansprakelijk voor het ongeval van werknemer en was daarom gehouden de schade die daarvan het gevolg was volledig te vergoeden. Partijen hebben daarover overeenstemming bereikt. Er is geen reden om de onjuiste aanname die beide partijen daarbij hebben gedaan voor risico van werknemer als het slachtoffer van het dienstongeval te laten komen. Dit betekent dat de vaststellingsovereenkomst voor vernietiging in aanmerking komt.