Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Lensen Beheer B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 9 juni 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:4407
Aan eindarrest van hof dat een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan werknemer een betalingsverplichting heeft aan de ex-werkgever, komt gezag van gewijsde toe. Buitengerechtelijke vernietiging overeenkomst vanwege strijd met belemmeringsverbod heeft rechtens geen effect gesorteerd.

Feiten

Werknemer is vanaf 23 juli 2012 krachtens opeenvolgende arbeidsovereenkomsten werkzaam bij Lensen Beheer B.V. (hierna: Lensen). De laatste arbeidsovereenkomst eindigde op 30 september 2014 van rechtswege. Vanaf november 2013 heeft Lensen werknemer tewerkgesteld bij Rabobank. In ruil voor deze detachering van werknemer heeft Lensen fees ontvangen van Rabobank. Rabobank wenste ook na 30 september 2014 gebruik te maken van de diensten van werknemer. Lensen heeft in september 2014 aanspraak gemaakt op een door werknemer aan Lensen te betalen vergoeding (fee) over de periode 1 oktober 2014 tot 1 juli 2015. Partijen hebben getwist of er in september 2014 een overeenkomst tussen hen tot stand is gekomen met betrekking tot het betalen van een fee door werknemer aan Lensen over de periode 1 oktober 2014 tot 1 juli 2015. Bij vonnis van 11 november 2015 oordeelde de kantonrechter te Arnhem dat de tussen partijen gemaakte afspraak omtrent de hoogte van de fee onvoldoende bepaalbaar is, zodat geen overeenkomst tot stand is gekomen. Lensen is in hoger beroep gekomen van deze uitspraak. Bij (tussen)arrest van 23 mei 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat partijen wél overeenstemming hebben bereikt over alle essentialia van de overeenkomst, waaronder de hoogte van de fee, zodat een overeenkomst tot stand is gekomen. Tegen het eindarrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 september 2017 (hierna: het eindarrest), waarbij werknemer is veroordeeld om aan Lensen € 23.030 te betalen, is geen cassatie ingesteld. Bij brief van 1 september 2017 heeft werknemer de volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gesloten overeenkomst vernietigd wegens strijd met artikel 9 en 9a Wet Allocatie Arbeidskrachten door Intermediairs (hierna: Waadi). De kern van het hoger beroep vormt de vraag of aan het eindarrest gezag van gewijsde toekomt.

Oordeel

Lensen heeft een verboden tegenprestatie bedongen door met werknemer een overeenkomst te sluiten tot betaling van een vergoeding door werknemer vanwege het mislopen van fees door Lensen. Lensen heeft werknemer daardoor belemmerd in het aangaan van een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met Rabobank. Om te kunnen beoordelen of het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen, dient naar het oordeel van het hof bepaald te worden waar de rechtsbetrekking in geschil in de eerdere procedure door is gevormd. Daarbij kan de vraag of een dergelijke overeenkomst al dan niet nietig is geen rol spelen. Om dit te kunnen bepalen moet gekeken worden naar de inhoud en strekking van de eerdere uitspraak. De rechtsbetrekking in geschil betrof zowel in de eerste als in de tweede procedure of werknemer op grond van een contractuele verplichting voorvloeiende uit een overeenkomst, gehouden was tot betaling van de daarin vervatte fee. In beide procedures heeft werknemer deze betalingsverplichting bestreden, in de eerste procedure door de overeenkomst zelf te betwisten en in de tweede procedure door de rechtsgeldigheid van die, inmiddels in rechte vaststaande, overeenkomst te betwisten. Dit betekent evenwel niet dat sprake is van een andere rechtsbetrekking in geschil. Het gezag van gewijsde hangt immers niet af van de vordering (of het verweer) zelf. Het gezag van gewijsde betreft de rechtsverhouding tussen partijen en waar deze aanleiding kan geven tot verschillende vorderingen kan het gezag van gewijsde van een geschilbeslissing die is gegeven in het kader van de beoordeling van de ene vordering, op zichzelf bezien worden ingeroepen in een geding dat aanhangig is gemaakt met een andere vordering. De stelling van werknemer dat het in de eerste procedure ging om de vraag óf er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, en niet om de vraag of deze overeenkomst rechtsgeldig was, kan hem dan ook niet baten. Daarmee is nog steeds sprake van dezelfde rechtsbetrekking in geding, zoals in artikel 236 Rv is bepaald. Ook in dit geding betwist werknemer immers de gehoudenheid tot betaling uit hoofde van de overeenkomst. Het hof heeft in 2017 beslist dat een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen op grond waarvan werknemer een betalingsverplichting ter zake van fees heeft jegens Lensen. Die beslissing heeft naar het oordeel van het hof, met de kantonrechter, ook in de onderhavige procedure bindende kracht. De buitengerechtelijke vernietiging door werknemer bij brief van 1 september 2017 heeft derhalve rechtens geen effect gesorteerd. Niet is gesteld of gebleken dat werknemer in de onmogelijkheid verkeerde om reeds in de eerste procedure tevens een beroep te doen op de nietigheid van de overeenkomst, zo die overeenkomst onverhoopt in rechte zou worden vastgesteld. Dat hij destijds wellicht op grond van de toen bestaande rechtspraak en rechtsovertuiging niet bekend was met de (beweerdelijke) nietigheid van de gemaakte afspraak nu eerst op 14 april 2017 de Hoge Raad daarover heeft geoordeeld, zoals hij heeft aangevoerd, kan hem niet baten. Dit betekent immers niet dat eerst vanaf dat moment een overeenkomst als bedoeld nietig zou zijn vanwege strijd met de wet, maar dat de Hoge Raad constateert dat de wet zo luidt en moet worden uitgelegd, ook voor het verleden. Werknemer had dit beroep dus in de eerste procedure moeten doen, eventueel, gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, door het instellen van cassatieberoep tegen de arresten van het hof uit 2017. Daarin had dan ook de vraag kunnen worden beoordeeld of het hof de nietigheid van de overeenkomst wegens strijd met artikel 9a Waadi ambtshalve heeft getoetst of had moeten toetsen. De grieven falen.