Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Schilderbedrijf De Graaf B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 16 juni 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:4569
Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding (smartengeld), omdat werknemer tijdens zijn werkzaamheden is blootgesteld aan oplosmiddelen, waardoor OPS/CTE bij hem is ontstaan.

Feiten

In het tussenarrest van 28 januari 2020 heeft het hof de formele bezwaren van Schildersbedrijf De Graaf tegen het deskundigenonderzoek besproken en verworpen. Verder heeft het hof de kritiek van De Graaf op de schatting door deskundige [B] van de blootstelling van werknemer aan xyleen gedurende zijn dienstverband bij De Graaf niet gevolgd en heeft het hof overwogen dat ervan moet worden uitgegaan dat werknemer regelmatig geen masker droeg. De conclusie is dat met het onderzoek van [B] voldoende aannemelijk is geworden dat werknemer, gelet op het feit dat hij geregeld geen masker heeft gedragen, bij zijn werkzaamheden voor De Graaf is blootgesteld aan zeer hoge concentraties oplosmiddelen, ver boven de geldende gezondheidskundige grenswaarden.

Oordeel

De Graaf heeft ook inhoudelijke kritiek geuit op de onderdelen anamnese en diagnose van het rapport van [C]. Naar het oordeel van het hof heeft [C] zijn diagnose voldoende onderbouwd. In dit verband is van belang dat [C] ook een, naar het oordeel van het hof plausibele, verklaring heeft gegeven voor het feit dat de klachten van werknemer niet zijn afgenomen nadat hij stopte met zijn werkzaamheden voor De Graaf. Ook het onderzoek van [E] biedt steun aan de conclusie van [C] dat bij werknemer sprake is van OPS/CTE.

Causaal verband

Met het deskundigenrapport heeft werknemer voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van causaal verband tussen de blootstelling aan oplosmiddelen bij De Graaf en het ontstaan van OPS/CTE bij hem. Het betoog van De Graaf dat de klachten van werknemer ook kunnen zijn veroorzaakt door andere lichamelijke en psychische aandoeningen van werknemer is met de onderzoeken van [C] en [E] weerlegd.

Opzet/bewuste roekeloosheid

Het hof verwerpt het beroep op opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer, daarin bestaande dat werknemer ondanks instructies, zonder masker werkte. Ook indien werknemer geïnstrueerd was om een masker te dragen, hij een masker en de noodzakelijke filters ter beschikking had en het masker ook kon dragen, is van opzet of bewuste roekeloosheid slechts sprake indien de werknemer zich onmiddellijk voorafgaande aan zijn gedrag daadwerkelijk bewust is geweest van het roekeloze karakter daarvan. Bovendien is het ervaringsfeit van belang dat de dagelijkse omgang met machines, werktuigen en gereedschappen de werknemer, die deze gebruikt, er licht toe zal brengen niet alle voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is. Gesteld noch gebleken is dat werknemer is aangesproken op het niet dragen van een masker en dat hij op dit punt ondubbelzinnig is gewaarschuwd.

Schade

Het hof acht het bedrag aan smartengeld toewijsbaar. Werknemer heeft vanwege OPS/CTE diverse klachten  – zoals ernstige concentratieklachten, opvliegendheid – die forse nadelige gevolgen hebben voor zijn levensvreugde, ook omdat zij de relatie tussen hem en zijn echtgenote onder druk zetten en hem beperken in het onderhouden van sociale contacten. Dat hij ook veel andere lichamelijke klachten heeft, betekent, anders dan De Graaf meent, niet dat aan de klachten ten gevolge van OPS/CTE minder gewicht toekomt. Ook het bedrag aan medische en reiskosten is toewijsbaar.