Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Pensioenfonds HaskoningDHV
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 13 november 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:9905
Uitleg garantieregeling pensioen. Werknemer kan op grond van de garantieregeling geen aanspraak maken op aanvulling van de door hem feitelijk ontvangen pensioenuitkering tot het garantiebedrag.

Feiten

Werknemer is op 28 december 1970 in dienst getreden bij HaskoningDHV Nederland (hierna: DHV). Vanaf 1 oktober 2010 ontvangt werknemer een ouderdomspensioen. In het jaar 1991 is het bedrijfsonderdeel AIB van Philips, waar werknemer werkzaam was, overgedragen aan DHV. De rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomstenzijn overgegaan naar DHV. Tussen Philips en DHV zijn afspraken gemaakt over de overgang van de pensioenen van de AIB-werknemers, neergelegd in de Pensioenafspraken d.d. 25 oktober 1991. De door AIB-medewerkers per 1 november 1991 bij Philips Pensioenfonds opgebouwde rechten op ouderdomspensioen en overbruggingspensioen voor de periode tussen hun 60ste en 65ste levensjaar werden Deel A genoemd en de rechten opgebouwd voor de periode vanaf 65 jaar Deel B. Tussen de betrokken partijen is afgesproken dat Deel A zou worden aangewend ter financiering van de VUT-regeling van DHV. Aan de AIB-werknemers, onder wie werknemer, is een garantieregeling (hierna: de Garantieregeling) aangeboden, die is verwoord in de bij de pensioenoverzichten horende ‘Toelichting bij het pensioenoverzicht van de DHV AIB-medewerkers’ (hierna: de Toelichting). Werknemer heeft ervoor gekozen zijn opgebouwde pensioen bij het Philips Pensioenfonds over te dragen aan het Pensioenfonds onder toepassing van de Garantieregeling. De VUT-regeling van DHV is per 1 januari 1995 vervangen door een Tijdelijk Ouderdomspensioenregeling (TOP). Bij brief van 15 maart 1995 heeft het Pensioenfonds werknemer bericht dat zijn bij Philips Pensioenfonds opgebouwd Deel A gedeeltelijk is omgezet in een aanspraak op TOP en dat het resterende deel is omgezet in een premievrij ouderdomspensioen. Werknemer heeft in juli 2007 met DHV een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van zijn dienstverband per 1 oktober 2008. Vaststaat dat de pensioenuitkering die werknemer vanaf zijn 65-jarige leeftijd per 1 oktober 2010 feitelijk ontvangt lager is dan het garantiebedrag. Het Pensioenfonds stelt onbetwist dat de reden hiervan is gelegen in de keuzes die werknemer heeft gemaakt in het kader van de met DHV gesloten vaststellingsovereenkomst. Partijen verschillen van inzicht over het antwoord op de vraag voor wiens rekening en risico het op grond van de Garantieregeling moet komen dat werknemer ten gevolge van de hiervoor genoemde omstandigheden minder pensioen ontvangt dat het garantiebedrag. Zij leggen in dat kader de Garantieregeling verschillend uit.

Oordeel

Partijen zijn het eens over het karakter van de Garantieregeling, dat zij er beide van uitgaan dat deze tot doel had ervoor te zorgen dat de werknemers na de waardeoverdracht aan het Pensioenfonds niet slechter af zouden zijn dan als zij hun Philips-pensioenen niet zouden hebben overgedragen. Anders dan werknemer aanvoert was het niet in zijn algemeenheid zo dat de AIB-werknemers een hogere aanspraak op ouderdomspensioen op 65-jarige leeftijd zouden ontvangen indien zij hun rechten niet zouden overdragen, maar gold dat slechts in het geval de VUT-regeling zou blijven bestaan. De Garantieregeling moet worden gelezen en uitgelegd in de geschetste context, namelijk het wegnemen van een nadeliger resultaat van scenario I ten opzichte van scenario II in het beschreven geval (waarin scenario II gunstiger uitpakte). Tussen het Pensioenfonds en werknemer staat vast dat de Garantieregeling bij vervanging van de VUT- door de TOP-regeling van kracht is gebleven. Maar daarmee is naar het oordeel van het hof niet gegeven dat werknemer onverkort kan blijven vasthouden aan de uitgangspunten die in 1991 aan de berekeningen ten grondslag hebben gelegen. Bij de totstandkoming van de Garantieregeling is uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat de VUT-regeling van DHV zou eindigen. Dat is bij herhaling gemeld in de Toelichting en in het Pensioenoverzicht zijn daar ook verschillende scenario’s voor uitgerekend. Anders dan werknemer betoogt, heeft het Pensioenfonds in de Garantieregeling dan ook niet alle risico’s voor alle toekomstige wijzigingen op zich genomen, nu immers uitdrukkelijk is bepaald dat de Garantieregeling zou vervallen bij het eindigen van de VUT-regeling. Tegen de achtergrond van de bedoeling van de Garantieregeling, zoals deze uit de Toelichting blijkt, moet de Garantieregeling daarom aldus worden begrepen dat deze werknemer niet beoogt te vrijwaren van de gevolgen van wijziging van de VUT-regeling in de TOP-regeling. Het voorgaande betekent dat werknemer op grond van de Garantieregeling geen aanspraak kan maken op aanvulling van door hem vanaf 1 oktober 2010 feitelijk ontvangen pensioenuitkering tot het garantiebedrag.