Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 17 juni 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:4975
Termijnbepaling arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tegenstrijdig. Genoemde duur komt niet overeen met genoemde einddatum. Uitdrukkelijk genoemde einddatum wordt aangehouden. Werkgever heeft aan aanzegverplichting voldaan.

Feiten

Werknemer is op 1 juni 2019 krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden van werkgeefster. In de arbeidsovereenkomst staat dat de overeenkomst wordt aangegaan voor zeven maanden. Daarnaast is 31 januari 2020 als einddatum opgenomen (hetgeen neerkomt op een duur van acht maanden). Bij brief van 30 december 2019 heeft werkgeefster werknemer het einde/niet verlengen van de arbeidsovereenkomst aangezegd. Werknemer maakt thans onder meer aanspraak op de aanzegvergoeding, in dit geval van één maandloon ad € 1.125.

Oordeel

Zoals door de gemachtigde van werkgeefster ter zitting ook is toegegeven, is de overeenkomst ten aanzien van de termijnbepaling innerlijk tegenstrijdig. Uit de tekst van de overeenkomst valt in ieder geval niet eenduidig af te leiden wat de duur van de arbeidsovereenkomst was, maar aan de uitdrukkelijk genoemde datum van 31 januari 2020 kan wel het vermoeden worden ontleend dat partijen die datum als einddatum van de arbeidsovereenkomst hebben beoogd, ook al strookt dat niet met de eerder genoemde termijn van zeven maanden. Werknemer stelt zich echter op het standpunt dat de einddatum 31 december 2019 was. Nu werknemer zich op de rechtsgevolgen van dat feit beroept, rust de bewijslast ter zake daarvan ingevolge het bepaalde in artikel 150 Rv op hem. Naar het oordeel van de kantonrechter is werknemer evenwel niet in dat bewijs geslaagd, omdat zijn betoog is blijven steken in een blote stelling, te weten dat dit volgens hem de – enig juiste – uitleg van de overeenkomst behoort te zijn. Dat is niet voldoende. Voorts heeft werknemer ook geen specifiek bewijsaanbod op dit punt gedaan en de kantonrechter ziet evenmin aanleiding hem ambtshalve tot dat bewijs toe te laten. Afwijzing van het verzoek volgt.