Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 15 juli 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:5148
Feiten
Op grond van artikel 53 van de Wet op de Jeugdzorg heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de Stichting) de Cliëntenraad van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de Cliëntenraad) ingesteld. Ten behoeve van de samenwerking tussen de Stichting en de Cliëntenraad hebben partijen op 6 januari 2003 de Regeling medezeggenschap cliënten van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: het Cliëntenraad reglement) vastgesteld. In april 2019 zijn X en Y toegetreden tot de Cliëntenraad. X en Y zijn de enige twee leden van de Cliëntenraad. Tussen de Cliëntenraad en de Stichting is onenigheid ontstaan over enerzijds de door de Stichting te bieden faciliteiten en medewerking en anderzijds de wijze waarop de Cliëntenraad zijn taak uitoefent. Op 20 mei 2020 vindt een bespreking plaats tussen de Stichting en de Cliëntenraad. Tijdens dit overleg wordt X door de Stichting aangesproken op zijn gedrag. Na het gesprek zegt Y zijn lidmaatschap van de Cliëntenraad op vanwege gebrek aan wederzijds respect en vertrouwen tussen X en de bestuurder van de Stichting. Bij brief van 22 mei 2020 maakt de Stichting aan X bekend dat de Cliëntenraad met onmiddellijke ingang wordt ontbonden. De Cliëntenraad vordert samengevat onder meer de Stichting te bevelen de Cliëntenraad toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden en alle wettelijke en reglementaire middelen en faciliteiten ter beschikking te stellen.
Oordeel
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Stichting het besluit tot ontbinding van de Cliëntenraad heeft genomen vóór de inwerkingtreding per 1 juli 2020 van de WMCZ 2018. Dit betekent dat de vraag of de Stichting kon en mocht overgaan tot ontbinding van de Cliëntenraad dient te worden beoordeeld naar de vóór 1 juli 2020 geldende wet- en regelgeving. Anders dan in de WMCZ 2018 voorziet de WMCZ niet in een bevoegdheid tot ontbinding van de Cliëntenraad. De vraag of het bestuur van de zorginstelling uit eigen beweging bevoegd is om in de grijpen, indien het constateert dat de zittende cliëntenraad onvoldoende representatief is, dan wel onvoldoende in staat wordt geacht het gemeenschappelijk belang te behartigen, is afhankelijk van de inhoud van zijn eigen reglement. Tussen partijen is niet in geschil dat in het tussen de Stichting en de Cliëntenraad op 6 januari 2003 overeengekomen Cliëntenraadreglement niet is voorzien in een ontbinding van de Cliëntenraad door de Stichting. Dit brengt met zich dat de bestuurder toestemming nodig heeft van het plenum van de cliënten om in te kunnen grijpen. De voorzieningenrechter is op geen enkele wijze gebleken dat de cliënten van de Stichting zich niet vertegenwoordigd voelen door de Cliëntenraad en bij de Stichting recent voor de ontbinding klachten hebben ingediend over het functioneren van de Cliëntenraad. De Stichting heeft weliswaar een drietal e-mails overgelegd waarin cliënten zich kritisch uitlaten over het optreden van de Cliëntenraad tijdens een cliënttevredenheidsonderzoek, maar die rechtvaardigen niet de conclusie dat het plenum van cliënten aan de Stichting toestemming heeft gegeven om in te grijpen vanwege het ontbreken van representativiteit. Verder is gesteld noch gebleken dat de Stichting de Cliëntenraad met deze reacties heeft geconfronteerd, dat deze reacties de ontbinding van de Stichting rechtvaardigden en dat deze cliënten een brede groep van de cliënten vertegenwoordigen. Het ontbreken van ‘klachten’ van een brede groep cliënten acht de voorzieningenrechter van groot en doorslaggevend belang. De Stichting heeft overigens ook geen klachten van cliënten aan de ontbinding van de Cliëntenraad ten grondslag gelegd, maar als reden voor de ontbinding aangevoerd dat X ongepast rolgedrag vertoont. Gelet op het belang van de onafhankelijkheid van de Cliëntenraad van de Stichting vormt die reden vanwege het ontbreken van klachten daarover vanuit de cliënten, naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter een ondeugdelijke grondslag voor de ontbinding. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van de Cliëntenraad om weer te worden toegelaten tot zijn werkzaamheden toewijsbaar is.