Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Yashima B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 28 augustus 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:7880
Werknemer stelt op staande voet te zijn ontslagen. Werkgever betwist de arbeidsovereenkomst te hebben opgezegd. Niet is komen vast te staan dat werknemer op staande voet is ontslagen. Werkgever had uit chatbericht werknemer, diens vertrek en het niet protesteren tegen ‘ontslag’, mogen begrijpen dat werknemer de arbeidsovereenkomst zelf heeft willen beëindigen.

Feiten

Werknemer is per 1 augustus 2019 in dienst getreden bij Yashima B.V. in de functie van kok. Werknemer woonde samen met een collega in de kelder van het restaurant. Een Nederlandse vertaling van een in de Chinese taal door werknemer ingesproken We Chat-bericht van 5 maart 2020 aan Yashima luidt als volgt: “Hoe dan ook, hier werk ik niet meer, wacht op maskers voordat ik terugga”. Op 12 maart 2020 heeft werknemer het restaurant en zijn woning in de kelder verlaten en is daarna niet meer teruggekeerd. Werknemer verzoekt de kantonrechter onder meer om een verklaring voor recht dat de door Yashima op 6 maart 2020 gegeven opzegging ten onrechte is gegeven en werkgever te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris en vakantietoeslag. Aan deze verzoeken legt werknemer ten grondslag dat Yashima hem, nadat zij zijn ziekmelding niet had geaccepteerd, op 6 maart 2020 op staande voet heeft ontslagen, zonder dat er sprake was van een dringende reden.

Oordeel

Yashima heeft zowel betwist dat de arbeidsovereenkomst met werknemer is opgezegd als dat werknemer zich heeft ziekgemeld. Volgens Yashima heeft werknemer zich op 5 maart 2020 plotseling opgesloten in de kelder, omdat hij bang was besmet te raken met het coronavirus. Op dezelfde dag heeft hij via We Chat gezegd niet meer voor Yashima te werken en te wachten op door hem bestelde mondkapjes, zodat hij daarna kon vertrekken. Op 12 maart 2020, nadat de mondkapjes waren geleverd, is werknemer vertrokken en niet meer teruggekeerd. Hieruit volgt dat werknemer de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd, aldus Yashima. Tegenover deze betwisting heeft werknemer, op wie de stelplicht en bewijslast rust, volgens de kantonrechter zijn stellingen onvoldoende nader onderbouwd. Over het We Chat-gesprek van 5 maart 2020 heeft werknemer ter zitting verklaard dat dit heeft plaatsgevonden nadat hij op staande voet is ontslagen. Dit klopt echter niet met de stelling dat hij op 6 maart 2020 op staande voet is ontslagen. Deze ontslagdatum is meermaals door werknemer bevestigd. Uit niets blijkt verder dat werknemer tegen het volgens hem gegeven ontslag op staande voet heeft geprotesteerd. Voor de ziekmelding zijn tevens geen bewijsstukken ingediend. Nu werknemer zijn stellingen onvoldoende nader heeft onderbouwd, is er geen plaats voor verdere bewijslevering, waarmee niet vast is komen te staan dat Yashima de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Het verzoek tot een verklaring voor recht wordt door de kantonrechter afgewezen. Ter zitting heeft werknemer bevestigd dat het verzoek tot betaling van het achterstallig salaris en vakantietoeslag ziet op de maand maart 2020. Yashima heeft ter verweer een beroep gedaan op verrekening, door te stellen dat werknemer door zelf de arbeidsovereenkomst op te zeggen en daarbij de opzegtermijn niet te respecteren, op grond van artikel 7:672 lid 11 BW een vergoeding van één maand verschuldigd is. De kantonrechter overweegt dat uit het We Chat-bericht, het vertrek op 12 maart 2020 en het niet protesteren tegen het gestelde ontslag, Yashima had mogen begrijpen dat werknemer de arbeidsovereenkomst zelf heeft willen beëindigen, in elk geval vanaf 12 maart 2020. Werknemer is een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over de opzegtermijn op grond van artikel 7:672 lid 11 BW. Omdat deze vergoeding hoger is dan het loon inclusief vakantietoeslag over de periode 1 tot en met 6 maart 2020 en Yashima bevoegd is tot verrekening slaagt het verweer.