Rechtspraak
Feiten
Werkneemster is sinds 1 juli 2007 bij Liroy B.V. in dienst. Op 26 augustus 2019 heeft tussen werkneemster en Liroy een gesprek plaatsgevonden over het gedrag van werkneemster in de daaraan voorafgaande periode. Omdat volgens Liroy onvoldoende verandering optrad bij werkneemster en er voor haar aanleiding was te veronderstellen dat dit gedrag (mede) werd veroorzaakt door ziekte, heeft Liroy werkneemster ziek gemeld. Op 6 september 2019 heeft werkneemster de Arboarts bezocht die oordeelde dat zij beperkt kon omgaan met hectische werksituaties. Aanbevolen werd om hierover in gesprek te gaan. Tussen partijen is afgesproken dat werkneemster op 9 september 2019 haar werkzaamheden weer zou hervatten met de nodige aanpassingen. De situatie leek echter te verslechteren. Na een vakantie van twee weken heeft er op 15 oktober 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster en Liroy waarin is besproken dat een periode van rust mogelijk een oplossing zou bieden. In de periode die volgde heeft werkneemster afspraken met behandelaren afgezegd. Naar aanleiding hiervan heeft Liroy met de casemanager de opties besproken, waaronder het aanvragen van een deskundigenoordeel en een vaststellingsovereenkomst. Ook werkneemster heeft een voorstel voor een beëindigingsovereenkomst aan Liroy toegezonden, maar kwam hier later op terug. Toen is het traject verder gegaan, waarbij onder andere mediation heeft plaatsgevonden. Re-integratie bleef echter uit. Liroy verzoekt in deze procedure ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Werkneemster verzoekt bij toewijzing de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 402.500.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt allereerst dat, hoewel mogelijk nog sprake is van een opzegverbod tijdens ziekte, het verzoek onvoldoende verband houdt met de arbeidsongeschiktheid. Het opzegverbod staat derhalve niet aan ontbinding in de weg. De kantonrechter is voorts met Liroy van oordeel dat de arbeidsverhouding is verstoord. Uit de door Liroy overgelegde verklaringen is voldoende aannemelijk geworden dat er in augustus en september 2019 diverse confrontaties zijn geweest tussen werkneemster en collega’s. De kantonrechter acht het zeer begrijpelijk dat Liroy werkneemster uit voorzorg en in haar eigen belang ziek heeft gemeld. Daartoe was voldoende aanleiding, gezien haar gedrag en de door haar gevoerde gesprekken. Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat er geen enkele aanleiding voor het verwijt van werkneemster dat dit alles een vooropgezet plan was van Liroy om haar kwijt te raken. Indien werkneemster het niet eens was met het oordeel van de arboarts, had het op haar weg gelegen om een deskundigenoordeel te vragen. Werkneemster heeft vervolgens zelf voor vertraging zorggedragen door zich niet te laten behandelen of te laten onderzoeken of behandeling noodzakelijk was. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat de arbeidsverhouding verder verstoord is geraakt door de wispelturige houding van werkneemster over het al dan niet sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Voorts is de arbeidsverhouding duurzaam verstoord nu werkneemster geen oog lijkt te hebben voor haar rol en alle schuld (ten onrechte) bij Liroy blijft leggen en mediation al na één gesprek is beëindigd. Met Liroy is de kantonrechter van oordeel dat daardoor geen vooruitzicht bestaat op een vruchtbare samenwerking tussen partijen in de toekomst. Herplaatsing ligt gelet hierop eveneens niet in de rede. Voor toewijzing van een billijke vergoeding bestaat geen grond, nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Liroy.