Naar boven ↑

Rechtspraak

Abbot Laboratories B.V./Chubb European Group SE
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 24 september 2020
ECLI:NL:RBOVE:2020:3437
Op dit moment bestaan er nog zoveel vraagtekens ten aanzien van het causaal verband tussen het ozoninademingsincident en de aanhoudende klachten van werknemer én ten aanzien van de hoogte van de schade dat een aanvullend voorschot niet in de rede ligt.

Feiten

Werknemer is vanaf 13 maart 2006 in dienst geweest van Abbott in de functie van Shiftleader Operations, een leidinggevende functie. Gedurende zijn inspectie- en ontruimingswerkzaamheden is werknemer blootgesteld aan hoge concentraties ozon. Werknemer heeft klachten ontwikkeld direct na het ozoninademingsincident, bestaande uit onder meer ernstige benauwdheid en hyperventilatie. Abbott – en haar verzekeraar Chubb – heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ozonincident erkend. Werknemer is na het ozoninademingsincident arbeidsongeschikt gebleven voor zijn eigen functie. Het UWV heeft aan werknemer een WIA-uitkering toegekend per 15 januari 2017. De arbeidsovereenkomst tussen werknemer en Abbott is beëindigd per 1 november 2017. Werknemer en Abbott hebben daartoe een beëindigingsovereenkomst gesloten. Partijen hebben dr. J.M. Rooijackers als deskundige ingeschakeld om een medische expertise te verrichten voor de vaststelling van de gevolgen van het arbeidsongeval. Rooijackers constateert chronische luchtwegklachten, hyperventilatie en afgenomen inspanningstolerantie waarvoor op het gebied van de longen geen medische verklaring kan worden gevonden. Rooijackers stelt daarbij vast: ‘De vraag of de huidige klachten en ervaren beperkingen kunnen optreden als late effecten van acute, incidentele ozonblootstelling kan niet beantwoord worden omdat literatuur ontbreekt’. Op 19 november 2018 heeft de kantonrechter een beschikking gewezen in een deelgeschil tussen werknemer en Abbott en Chubb. In deze beschikking heeft de kantonrechter de door werknemer gevraagde verklaring voor recht dat het causaal verband tussen zijn gezondheidsklachten en beperkingen en het onzondinademingsincident vaststaat, afgewezen. Ook heeft de kantonrechter het door werknemer gevraagde voorschot afgewezen. Abbott en Chubb hebben tot op heden in totaal € 95.000 aan voorschotten uitgekeerd aan werknemer. Werknemer vordert in de hoofdzaak dat Abbott en Chubb hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van (materiële en immateriële) schade die werknemer tot en met februari 2020 heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval van 11 januari 2014, waarvan de materiële schade wordt begroot op € 139.900.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat in dit stadium van de procedure geen sprake is van een situatie waarin met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat de vordering door de bodemrechter zal worden toegewezen. Daarbij zijn de volgende omstandigheden van belang. De kantonrechter is met de deelgeschilrechter van oordeel dat werknemer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn klachten, zoals omschreven in het rapport van Rooijakkers, veroorzaakt kunnen zijn door het ozoninademingsincident van 11 januari 2014. Maar net als de deelgeschilrechter overweegt de kantonrechter hier dat Abbott en Chubb nog de gelegenheid hebben om het vermoeden dat sprake is van een juridisch causaal verband tussen het ozoninademingsincident en de klachten van werknemer te ontzenuwen. Op dit moment kan er niet op vooruitgelopen worden in hoeverre zij daarin in de bodemprocedure zullen slagen. De kantonrechter overweegt verder dat het niet op voorhand aannemelijk is dat in de bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de schade van werknemer uitkomt boven het bedrag van € 95.000 dat Abbott en Chubb tot zover als voorschotten aan werknemer hebben voldaan. De financiële overzichten die werknemer ter onderbouwing van zijn schade in het geding heeft gebracht, geven onvoldoende houvast om vooruit te lopen op het oordeel in de bodemprocedure. Bovendien heeft werknemer geen financiële noodzaak gesteld voor een extra bevoorschotting. Gelet op het voorgaande bestaan op dit moment nog zoveel vraagtekens ten aanzien van het causaal verband tussen het ozoninademingsincident en de aanhoudende klachten van werknemer én ten aanzien van de hoogte van de schade dat een aanvullend voorschot niet in de rede ligt. Dit wordt versterkt doordat Anticimex B.V. in de bodemprocedure nog de gelegenheid heeft om zich als gevoegde partij bij conclusie van antwoord te verweren tegen de vordering van werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat bij deze stand van zaken de gevraagde voorziening niet kan worden toegewezen.