Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Arkin
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 oktober 2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:5052
In kort geding is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat sprake is van verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte.

Feiten

Werkneemster is met ingang van 1 juni 2019 voor de duur van een jaar in dienst getreden van Stichting Arkin als geestelijk verzorger voor 12 uur per week, later uitgebreid tot 24 uur. Tot de organisatie van Arkin behoren Mentrum, Inforsa en Jellinek. Werkneemster heeft Arkin bij haar sollicitatie laten weten dat zij een beperking heeft. Toen was sprake van ADHD, later van het chronischevermoeidheidssyndroom en nog weer later van POTS. Op 19 maart 2020 heeft Arkin de bedrijfsarts om advies gevraagd. Arkin heeft werkneemster op 14 april 2020 laten weten dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd wegens onvoldoende functioneren en omdat werkneemster te weinig groei heeft laten zien. Werkneemster heeft hierop een melding gedaan van ongelijke behandeling vanwege verboden onderscheid op grond van een handicap of chronische ziekte en heeft hiervan ook een melding gedaan bij het College voor de Rechten van de Mens. Arkin heeft werkneemster outplacement aangeboden, maar daarvan heeft zij geen gebruik gemaakt. Werkneemster vordert in deze procedure loondoorbetaling en werkhervatting, als ware haar arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verlengd.

Oordeel

In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de vordering van werkneemster in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. De kantonrechter is van oordeel dat aan dat criterium niet is voldaan. Werkneemster heeft haar stelling dat het dienstverband niet is verlengd om redenen die als verboden discriminatie moeten worden aangemerkt, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarnaast is onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat Arkin een verborgen agenda heeft. Dat zij als eigenrisicodrager wil vermijden dat werkneemster ziek uit dienst gaat, rechtvaardigt die conclusie niet. Voorshands heeft Arkin voldoende aannemelijk gemaakt dat de reden om niet te verlengen was gelegen in het onvoldoende functioneren van werkneemster. Dat staat in beginsel ter beoordeling van Arkin als werkgever. Arkin heeft werkneemster voldoende gelegenheid gegeven om in haar rol te groeien, maar helaas zonder het gewenste resultaat. De kantonrechter acht niet aannemelijk dat de verbeterpunten die met werkneemster zijn besproken in de loop van het dienstverband alle zijn terug te voeren op haar gezondheidstoestand. Werkneemster moet hebben begrepen dat het niet voldoen aan genoemde verbeterpunten ertoe zou leiden dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Arkin moet bij haar beslissing om al dan niet te verlengen uiteraard ook rekening houden met de belangen van haar cliënten en de risico’s verbonden aan het in dienst houden van een onvoldoende voor de functie toegeruste geestelijke verzorger. De slotsom is dat de vordering zal worden afgewezen.