Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 oktober 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:9473
Loonvordering wordt in kort geding afgewezen. Geen spoedeisend belang en vordering is onvoldoende aannemelijk.
Feiten
Werknemer is sinds 10 maart 2017 op basis van een uitzendovereenkomst in dienst bij Smart Install B.V. Op 1 november 2017 is werknemer bij Smart Install in dienst getreden in de functie van lange termijn-capaciteitsplanner. Op 3 juli 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer en werkgever. Tijdens deze bijeenkomst zijn afspraken gemaakt over de toekomstige inzet en betaling van werknemer. Afgesproken is dat werknemer per 1 juli 2018 de functie van manager operationele zaken zou bekleden en dat zijn salaris zou worden verhoogd. Per brief van 26 juli 2018 is de overeengekomen functie- en salariswijziging aan werknemer bevestigd. Werknemer vordert dat de kantonrechter Smart Install veroordeelt tot betaling van het achterstallig loon over de periode van 1 januari 2019 tot heden. Aan de vordering legt werknemer ten grondslag dat Smart Install gehouden is tot nakoming van haar betalingsverplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst, in het bijzonder de op 3 juli 2018 overeengekomen loonsverhoging per 1 januari 2019.
Oordeel
De kantonrechter overweegt allereerst dat er geen sprake is van onverwijlde spoed waarvoor een onmiddellijke voorziening vereist is, omdat werknemer te lang heeft stilgezeten en niet duidelijk heeft kunnen maken welk spoedeisend belang hij op dit moment bij zijn vordering heeft. Ook indien wel een spoedeisend belang zou worden aangenomen, kunnen de vorderingen van werknemer volgens de kantonrechter niet worden toegewezen. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Werknemer stelt dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat het salaris van werknemer per 1 januari 2019 zou worden verhoogd, onder de voorwaarde dat het gemiddeld aantal meterwisselingen zou stijgen van 4/4,5 naar 5/5,5. Smart Install betwist dat partijen zijn overeengekomen dat het loon van werknemer per 1 januari 2019 zou worden verhoogd onder de voorwaarde dat het gemiddeld aantal meterwisselingen zou stijgingen van 4/4,5 naar 5/5,5. Smart Install heeft aangevoerd dat in het gesprek op 3 juli 2018 is gesproken over de mogelijkheid van een verdere loonsverhoging per 1 januari 2019 indien sprake zou zijn van een verbeterde gang van zaken. Deze voorwaarde is volgens Smart Install niet nader ingevuld. Ter onderbouwing verwijst Smart Install naar een door werknemer zelf overgelegde verklaring die inhoudt: ‘Wat toen niet is bevestigd maar in het overleg wel is besproken is dat bij een verbeterde gang van zaken bij gedaagde het salaris met ingang van 2019 verhoogd zou worden naar € 9099 bruto per maand. Bij wijze van grap is toen nog opgemerkt dat alle zessen in zijn nieuwe salaris zouden worden omgedraaid.’ Smart Install heeft verder aangevoerd dat het niet logisch zou zijn dat de in het gesprek op 3 juli 2018 afgesproken salarisverhoging per 1 juli 2018 nadien wel schriftelijk is bevestigd, maar dat in diezelfde brief met geen woord wordt gerept over een salarisverhoging per 1 januari 2019. Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat onvoldoende aannemelijk is dat de vordering van werknemer in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Naar het zich laat aanzien zal werknemer in een eventuele bodemprocedure moeten bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat zijn loon per 1 januari 2019 zou worden verhoogd onder de voorwaarde dat het gemiddeld aantal meterwisselingen zou stijgen van 4/4,5 naar 5/5,5. De uitkomst van die bewijslevering is onzeker. Er bestaat daarom – gelet op de onzekerheid van de uitkomst van een bodemprocedure – onvoldoende grond om daarop vooruit te lopen. Dat betekent dat de vorderingen van werknemer zullen worden afgewezen.