Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 november 2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:5636
Feiten
In november 2012 was werkneemster ingedeeld in de loonschaal Contactorgaan Nederlandse Orkesten (CNO) trede 12 en bedroeg haar salaris € 3.007 bruto per maand op voltijdbasis. In de Cao Nederlandse Orkesten, met een looptijd van 1 augustus 2014 tot 31 december 2017, staat onder meer vermeld dat bij periodiek 15 in schaal 1 een salaris van € 3.148,00 bruto per maand behoort bij een voltijd dienstverband. In de Cao Nederlandse Orkesten, met een looptijd van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019, staat onder meer vermeld dat werknemer beschikking heeft over een persoonlijk budget bestaande uit 0,8% van het jaarsalaris. Daarnaast vermeldt de cao dat de individuele seizoenstaak voor een voltijdwerknemer netto 1528 uur per seizoen bedraagt. Werkneemster ontvangt jaarlijks in december een eindejaarsuitkering van € 1.400 bruto, naar rato van duur en omvang van de dienstbetrekking. In mei van het kalenderjaar ontvangt werkneemster een vakantietoeslag van 8%. In bijlage 2 staat bij salarisschaal 1 en periodiek 15 (hoogste trede) per 1 januari 2019 € 3.279 bruto per maand en per 1 juli 2019 € 3.377 bruto per maand bij een voltijd dienstverband. In bijlage 5 staat vermeld dat de tegemoetkoming in de kosten van instrumentenonderhoud bij een voltijd dienstverband voor een contrabas per jaar € 875,44 bedraagt. Werkneemster concludeert onder meer dat Het Balletorkest over de periode van 7 juni 2018 tot 31 juli 2020 een bedrag van € 34.026,80 bruto aan salaris en € 2.722,14 bruto aan vakantiegeld tot en met 31 juli 2020 aan haar verschuldigd is. De overige emolumenten bedragen de eindejaarsuitkering voor 2018 en 2019 (totaal € 1.201,67 bruto), instrumentenonderhoud (€ 748,16 netto) en het persoonlijk budget tot 29 juli 2020 (€ 272,21 netto). Het Balletorkest heeft daarop laten weten dat de omvang van het dienstverband (0,4 fte), de toepasselijke cao en de daaruit volgende bedragen juist zijn. Tegen het meer of anders bij akte gevorderde maakt Het Balletorkest wel bezwaar, nu partijen daarover nog geen debat hebben kunnen voeren.
Oordeel
Arbeidsovereenkomst
Vooropgesteld wordt dat werkneemster bij dagvaarding tot uitgangspunt heeft genomen dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met Het Balletorkest en dat zij overeenkomstig de toepasselijke cao betaald zal krijgen. Bij tussenvonnis van 14 juli 2020 is geoordeeld dat in ieder geval op 31 juli 2018 sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen Het Balletorkest en werkneemster. Niet in geschil is dat de omvang van dit dienstverband 0,4 fte is. Het bij die omvang behorende cao-loon bedraagt laatstelijk (indien er na juli 2020 geen cao-verhoging heeft plaatsgevonden) € 1.350,80 bruto per maand. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom als na te melden tegen Het Balletorkest worden toegewezen. De vordering gericht tegen de Stichting Remplaçanten wordt afgewezen. Nu geoordeeld is dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en Het Balletorkest en werkneemster zich blijkens de correspondentie ook beschikbaar heeft gehouden voor haar werkzaamheden nadat zij niet meer als remplaçant werd ingedeeld voor het seizoen 2018/2019 is de gevorderde wedertewerkstelling toewijsbaar.
Achterstallig loon, vakantiegeld en overige componenten
Werkneemster heeft bij dagvaarding (achterstallig) loon gevorderd vanaf 12 juni 2018 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Hoewel zij stelt dat er in ieder geval vanaf 31 juli 2017 sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft zij niet vanaf die datum loonbetaling gevorderd omdat zij, tot het moment dat zij niet meer werd ingedeeld voor haar werkzaamheden, is betaald op basis van het remplaçantentarief. Blijkens haar e-mail van 7 juni 2018 heeft werkneemster zich vanaf die datum beschikbaar gehouden om haar werkzaamheden te verrichten. Anders dan Het Balletorkest in de antwoordakte stelt, heeft het debat zich ook toegespitst op de vraag welk loon werkneemster op grond van de toepasselijke cao toekomt, indien sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daarover heeft werkneemster zich bij akte (onderbouwd met de toepasselijke cao-bepalingen en loontabellen) uitgelaten. Het Balletorkest heeft hierop bij antwoordakte gereageerd en de uit de cao voortvloeiende loonbedragen als juist erkend. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering tot betaling van € 34.026,80 bruto aan achterstallig loon over de periode juni 2018 tot augustus 2020 berekend aan de hand van de in de toepasselijke cao opgenomen loonbedragen en met eventuele cao-verhoging na 1 juli 2020 toewijsbaar is. Het gevorderde bedrag van € 2.722,14 bruto aan vakantiegeld tot en met 31 juli 2020 is als niet bestreden toewijsbaar. Ook de overige uit de Cao Nederlandse Orkesten 2018-2019 voortvloeiende componenten behorend bij een vast dienstverband komen werkneemster (naar rato van haar aanstelling) toe en worden toegewezen.