Rechtspraak
Feiten
Werkgeefster exploiteert een tandartsenpraktijk. Werknemer is, net als werkgeefster, tandarts en heeft op grond van een mondelinge overeenkomst met werkgeefster werkzaamheden als zodanig verricht in de tandartsenpraktijk van werkgeefster over de periode 4 mei 2016 tot 1 maart 2017. Werknemer vordert onder andere betaling van loon en loonspecificaties. Werknemer stelt zich daarbij op het standpunt dat er sprake is geweest van een mondelinge arbeidsovereenkomst op grond waarvan hij in de periode van 4 mei 2016 tot 1 maart 2017 arbeid heeft verricht. Volgens werknemer bestond het overeengekomen loon uit 45% van de bruto-omzet per maand en is daarnaast een reiskostenvergoeding afgesproken van € 0,19 per kilometer.
Oordeel
Zowel voor wat betreft de wettelijke verhoging als de vordering tot het overleggen van loonspecificaties is vooraleerst van belang of de overeenkomst tussen werknemer en werkgeefster als een arbeidsovereenkomst in de zin van titel 10 van Boek 7 BW dient te worden aangemerkt. De bewijslast van het bestaan van een arbeidsovereenkomst rust op werknemer. Hoewel het de(ze) kantonrechter ambtshalve bekend is dat waarnemend tandartsen doorgaans op basis van een overeenkomst van opdracht werken, had het – gelet op de gemotiveerde stellingen van werknemer in deze – alleszins op de weg van werkgeefster gelegen om zijn betwisting daarvan nader te concretiseren. In plaats daarvan beperkt zij zich tot de opmerking dat ‘geen enkele tandarts die waarneemt in loondienst is’. Dat is onder de gegeven omstandigheden in dit kader als betwisting echter onvoldoende. De conclusie dient dan ook te luiden dat in deze procedure tussen partijen vaststaat dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. De vorderingen worden toegewezen.