Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 24 november 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:9674
Feiten
Werknemers c.s. zijn op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst geweest van (de rechtsvoorganger van) Nucletron. Als onderdeel van hun arbeidsovereenkomst is aan hen een pensioentoezegging gedaan. In het verleden zijn de pensioenregelingen en/of aanbieders daarvan diverse malen aangepast. Met een memo van 8 september 2004 heeft de bestuurder van Nucletron aan de ondernemingsraad instemming gevraagd voor de wijziging van de kapitaalpolissen van alle medewerkers die niet vallen onder de verplichte pensioenregeling van PME. Onderdeel van het voorgenomen besluit was de wijziging van de streefregeling in een beschikbarepremieregeling. In november/december 2004 heeft de ondernemingsraad de benodigde instemming verleend. Eind 2004 heeft Nucletron de pensioenregeling voor werknemers c.s. met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 gewijzigd in een beschikbarepremieregeling. Nucletron heeft niet aan werknemers c.s. om individuele instemming gevraagd met de wijziging van de pensioenregeling van een streefregeling naar een beschikbarepremieregeling. In 2010 heeft de ondernemingsraad op verzoek van ongeveer twintig werknemers (onder wie werknemers c.s.) het initiatief genomen om de gevolgen van de wijziging van de pensioenregeling van een streefregeling met individuele polissen naar een beschikbarepremieregeling bij Delta Lloyd te laten onderzoeken. De ondernemingsraad heeft op kosten van Nucletron twee deskundigen geraadpleegd. Op 29 april 2013 is een rapport uitgebracht over de schade die negentien werknemers mogelijk lijden door de eenzijdige wijziging van de pensioenregeling in 2004. Aan dit rapport was een memo gehecht, waarin is beschreven dat het redelijk lijkt de werknemers die niet hebben ingestemd met de overgang van een pensioenregeling een compensatievoorstel te doen, omdat niet het geëigende pad is gevolgd. De kantonrechter heeft in eerste aanleg de vorderingen van werknemers tot betaling van koopsommen en premies aan een verzekeraar op basis van een eindloonregeling en marktrente, afgewezen. Hiertegen komen werknemers in hoger beroep op.
Oordeel
Het gaat in hoger beroep onder meer om de vraag of werknemers c.s. recht hebben/hadden op voortzetting van de streefregeling, door middel van storting van koopsommen, waardoor zij in de positie worden gebracht alsof de streefregeling was voortgezet. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Vooropgesteld wordt dat in de arbeids- en pensioenovereenkomsten met werknemers c.s. geen beding is opgenomen dat Nucletron de bevoegdheid gaf deze arbeidsovereenkomsten, waaronder de pensioentoezeggingen, eenzijdig te wijzigen. Nu Nucletron niet beschikte over de benodigde instemming van werknemers c.s. zal de door werknemers c.s. gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen. Voorts is onmiskenbaar dat in 2004 sprake was van gewijzigde omstandigheden als het gevolg van wetswijzigingen. Aegon wilde om die reden de bestaande C-polis niet voortzetten met de bestaande rekenrente van 7% en die aanpassen naar 4,46%. Werknemers c.s. hebben in dit verband onvoldoende gemotiveerd toegelicht dat een (andere) pensioenuitvoerder bereid zou zijn geweest tot voortzetting van de C-polis onder de tot 2004 geldende condities. Daarom was naar het oordeel van het hof in 2004 een wijziging van de voor werknemers c.s. bestaande pensioenregeling noodzakelijk. Deze wijziging in de rekenrente zou een behoorlijke lastenverzwaring voor Nucletron hebben meegebracht, vooral nu de kosten voor de pensioenregeling volledig voor Nucletron waren en werknemers c.s. geen werknemerspremie hoefden te betalen. Werknemers c.s. hebben onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat en zo ja, op welke grond, Nucletron verplicht zou zijn deze lastenverzwaring zonder enige vorm van compensatie door de betreffende werknemers voor haar rekening te nemen. Het hof is van oordeel dat dit in redelijkheid ook niet van Nucletron gevergd kon worden. De door werknemers c.s. geformuleerde vordering tot voortzetting van de tot 2004 geldende streefregeling zal daarom niet worden toegewezen. Dit betekent daarentegen niet automatisch dat werknemers c.s. moesten instemmen met de wijziging van de pensioenregeling, aangezien dit een verslechtering voor werknemers c.s. zou zijn, waarbij zij mogelijk aanzienlijke schade zouden lijden. Nucletron had dit beleggingsrisico niet zonder het aanbieden van compensatie eenzijdig bij de werknemers neer mogen leggen. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de eis van goed werkgeverschap. Het hof is dan ook van oordeel dat de eenzijdige wijziging van de streefregeling in een beschikbarepremieregeling, zonder dat daarbij enige vorm van compensatie is aangeboden, niet te beschouwen is als een redelijk voorstel van Nucletron, dat in redelijkheid niet door werknemers c.s. geweigerd mocht worden. De hierdoor geleden schade zal dan ook door Nucletron moeten worden vergoed, waarbij het op de weg van werknemers c.s. ligt om de door hen gevorderde schade en het causale verband met de tekortkoming van Nucletron inzichtelijk te maken. Het hof heeft dit per vordering/werknemer beoordeeld.