Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 30 januari 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:10930
Feiten
Opdrachtgever is vanaf zijn nek verlamd en hij zit in een rolstoel. Opdrachtgever ontvangt een persoonsgebonden budget. Opdrachtnemer werkt sinds 1 juni 2017 als zorgverlener voor opdrachtgever. Opdrachtnemer werkte 24 uur per week, in diensten van 24 uur ineens, tegen betaling van € 1.602 bruto per maand. Per 1 januari 2019 hebben partijen een schriftelijke zorgovereenkomst gesloten, aan de hand van een daarvoor door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) opgesteld formulier met als titel ‘Wijziging zorgovereenkomst met een zorgverlener’. In het formulier zijn de werktijden ingevuld en de looptijd (tot en met 9 januari 2020). Op 30 augustus 2019 heeft opdrachtgever aan verzoeker onder meer geschreven dat vanaf 1 oktober 2019 de zorgovereenkomst stopt en dat daarbij rekening is gehouden met één maand opzegtermijn. Partijen twisten over de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst en of de overeenkomst door opdrachtgever mocht worden opgezegd.
Oordeel
Niet in geschil is dat partijen zijn overeengekomen dat opdrachtnemer gedurende een zekere tijd en tegen betaling werkzaamheden zou verrichten voor opdrachtgever. De tussen partijen gesloten overeenkomst is allereerst bijzonder omdat de betaling van opdrachtnemer gebeurt op basis van een persoonsgebonden budget van opdrachtgever. De inhoud van de door partijen gemaakte afspraken en de vorm daarvan zijn in zoverre beïnvloed door de eisen die de SVB daaraan stelt. Partijen zijn weliswaar elementen overeengekomen die typerend zijn voor een arbeidsovereenkomst, zoals vakantiegeld en doorbetaling in geval van ziekte, maar dergelijke afspraken liggen, gelet op de belangen van opdrachtnemer, in de rede, ook als sprake zou zijn van een overeenkomst van opdracht. Opdrachtnemer was immers voor zijn inkomen (deels) afhankelijk van het bedrag dat SVB hem betaalde. Niet van belang is bovendien of partijen zelf meenden dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Van groot belang is voorts dat opdrachtgever de overeenkomst niet is aangegaan in het kader van de exploitatie van zijn beroep of bedrijf. Hij is de overeenkomst aangegaan omdat hij persoonlijke zorg nodig had. In die zin zijn de door opdrachtnemer te verrichten werkzaamheden voor opdrachtgever vergelijkbaar met het afnemen van een dienst. Niet het verrichten van arbeid staat voor opdrachtgever centraal maar het verkrijgen van zorg. Van opdrachtgever kan niet worden gevergd dat hij iemand dit werk laat doen met wie de persoonlijke relatie is verstoord, ongeacht of die verstoring in enige mate aan die persoon te wijten is. Daar staat tegenover dat de situatie voor opdrachtnemer wel vergelijkbaar is met een arbeidsverhouding, in die zin dat hij met het verrichten van werkzaamheden zijn inkomen vergaart. Alles afwegende wordt geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De bescherming die de wetgever aan werknemers heeft willen geven, verhoudt zich niet met de bijzondere aard van een overeenkomst zoals hier aan de orde. Door toepassing van de dwingende wettelijke bepalingen die op een arbeidsovereenkomst van toepassing zijn, zouden de belangen van de zorgafnemer ernstig worden geschaad. Het is daarom naar het oordeel van de kantonrechter niet waarschijnlijk dat de wetgever beoogd heeft om ook een overeenkomst zoals hier aan de orde is als arbeidsovereenkomst aan te merken. Het vorenstaande betekent dat opdrachtgever de overeenkomst mocht opzeggen, ook als opdrachtnemer op geen enkele wijze verwijtbaar heeft gehandeld. Opdrachtgever is vanwege de opzegging geen vergoeding verschuldigd. De verzoeken van opdrachtnemer worden daarom afgewezen.