Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 19 januari 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:472
Verplichte deelneming in bedrijfstakpensioenfonds voor Duitse chauffeurs in dienst van Nederlandse onderneming. Wet Bpf 2000 geen bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 9 Rome I.

Feiten

Pensioenfonds Vervoer is een verplicht bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000). De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Minister) heeft op grond van artikel 2 Wet Bpf 2000 deelneming in het Pensioenfonds Vervoer verplicht gesteld voor werknemers die in dienst zijn van een in Nederland gevestigde onderneming in het beroepsvervoer over de weg. Werkgever is een in Nederland gevestigde onderneming in het beroepsvervoer over de weg. Hij heeft circa 90 werknemers in dienst, van wie tien werknemers de Duitse nationaliteit hebben en in Duitsland wonen. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze tien Duitse werknemers verplicht zijn tot deelneming in het Pensioenfonds Vervoer.

Oordeel

De Duitse chauffeurs zijn gezien de aard van hun werkzaamheden niet op een vaste plaats werkzaam, zodat de plaats waar zij gewoonlijk hun werk verrichten niet is vast te stellen. De omstandigheden accentueren dat de chauffeurs in Duitsland hun economische en sociale functies uitoefenen. Dat zij rijden in vrachtwagens van werkgever, die een Nederlands kenteken hebben en door werkgever in Nederland worden onderhouden, weegt tegenover de overige gezichtspunten onvoldoende zwaar om tot een andere conclusie te komen. Als partijen zouden hebben afgezien van een rechtskeuze, zou op grond van de verwijzingsregel van artikel 8 lid 2 Rome I op de arbeidsovereenkomsten van deze chauffeurs Duits recht van toepassing zijn geweest. Anders ligt het met de overige chauffeurs. Een relevant deel van de in Koelzsch genoemde gezichtspunten wijst in de richting van Nederland. Naar het oordeel van het hof wegen de daartegenover staande gezichtspunten (het vervoer vindt hoofdzakelijk in Duitsland plaats, de chauffeurs organiseren vanuit huis hun werk, zij keren na het werk terug naar hun huis in Duitsland) onvoldoende zwaar. Wel overweegt het hof dat, indien ten aanzien van C, D, F, K en L niet zou kunnen worden vastgesteld dat Nederland hun gewoonlijke werkland is, zonder rechtskeuze niettemin toch het Nederlandse recht op de arbeidsovereenkomst van toepassing zou zijn. Als het gewoonlijke werkland niet kan worden vastgesteld, wordt de arbeidsovereenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen. Dat zou gezien de vestigingsplaats van werkgever Nederlands recht zijn.

Kennelijk nauwere band

Het hof oordeelt dat het enkele verzekerd zijn voor de sociale zekerheid onvoldoende is om af te wijken van de verwijzingsregels van artikel 8 leden 2 en 3 Rome I. Dit betekent dat het beroep op de exceptie van artikel 8 lid 4 Verordening Rome I niet wordt gehonoreerd. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat op de arbeidsovereenkomsten met de chauffeurs C, D, F, K en L Nederlands recht van toepassing zou zijn als partijen geen rechtskeuze hadden gemaakt, en dat deze chauffeurs op grond van artikel 8 lid 1, tweede zin, Rome I niet de bescherming kunnen verliezen van het dwingende Nederlandse recht. Voor hen geldt daarom een aansluitplicht bij het Pensioenfonds Vervoer en deze aansluitplicht kan niet worden ontlopen door een keuze voor het Duitse recht betreffende pensioenovereenkomsten. Het voorgaande leidt verder tot de bevinding dat op de arbeidsovereenkomsten met de chauffeurs E, G, H, H en J Duits recht van toepassing zou zijn, als partijen geen rechtskeuze hadden gemaakt. 

De scope rule

De Wet Bpf 2000 bevat zelf geen reikwijdtebepaling. Dat betekent dat moet worden onderzocht of uit de toelichting op de wet of uit de strekking van de wettelijke regeling kan worden afgeleid wat de reikwijdte van de Wet Bpf 2000 is. Voor het hof is uiteindelijk doorslaggevend dat enerzijds in de tekst van de Wet Bpf 2000 en het Verplichtstellingsbesluit geen beperking valt te lezen tot werknemers van wie het gewoonlijke werkland Nederland is en dat anderzijds de doelstelling van de Wet Bpf 2000 en het Verplichtstellingsbesluit om werknemers te beschermen tegen het niet of onvoldoende opbouwen van een pensioen, ook ten voordele strekt van in het buitenland werkzame chauffeurs die een Nederlandse werkgever hebben. Dit betekent dat de reikwijdte van de Wet Bpf 2000 en het Verplichtstellingsbesluit zich ook uitstrekt tot werknemers van een in Nederland gevestigd bedrijf in het beroepsvervoer over de weg van wie het gewoonlijke werkland een ander land is.

Bijzonder dwingend recht als bedoeld in artikel 9 Rome I

Vervolgens rijst de vraag of de bepalingen van de Wet Bpf 2000 ook van bijzonder dwingend recht zijn zoals bedoeld in artikel 9 Rome I. Een en ander brengt mee dat de vraag of de Wet Bpf 2000 en het Verplichtingsbesluit voorrangsregels bevatten alleen dan relevant is, als de verwijzingsregels van artikel 8 lid 2, 3 en 4 Rome I het recht van een ander land dan Nederland aanwijzen. Dit geldt in deze procedure voor de vijf Duitse chauffeurs voor wie het gewoonlijke werkland Duitsland is, zodat de verwijzingsregel van artikel 8 lid 2 Rome I Duits recht aanwijst.

Voorrangsregels

Naar het oordeel van het hof worden de Nederlandse fundamentele, dwingende belangen van sociaaleconomische aard met betrekking tot de Nederlandse markt voor tweedepijlerpensioenen niet of onvoldoende geraakt als een in het buitenland werkzame werknemer en zijn Nederlandse werkgever wat het aanvullende pensioen betreft kiezen voor toepasselijkheid van het rechtsstelsel van het gewoonlijke werkland van de werknemer.

Slotsom

Het hof beslist dat, gegeven de rechtskeuze, de Duitse chauffeurs van werkgever verplicht zijn tot deelneming omdat zij geen bescherming verliezen op grond van dwingend objectief toepasselijk recht. Het hof overweegt verder dat, als deze rechtskeuze zou ontbreken, de vijf Duitse chauffeurs van werkgever die een relevant deel van hun werkzaamheden in Nederland verrichten, ook verplicht zouden zijn tot deelneming in het Pensioenfonds Vervoer, omdat de Wet Bpf 2000 ook op hen dwingendrechtelijk van toepassing is. Voor de andere vijf Duitse chauffeurs geldt die verplichting zonder rechtskeuze voor Nederlands recht niet.