Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/O-I Netherlands B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 20 januari 2021
ECLI:NL:RBLIM:2021:867
Uitleg van anticumulatiebepaling in cao van werkgever. De transitievergoeding valt onder de noemer ‘wettelijke uitkeringen’ en mag daarom op de aanvulling van de WIA-uitkering van werknemer in mindering worden gebracht door ex-werkgever.

Feiten

Werknemer is sinds 1 september 1985 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst bij O-I Netherlands B.V. (hierna: O-I). Op die overeenkomst is tevens van toepassing de collectieve arbeidsovereenkomst voor O-I. Op 1 juli 2015 is werknemer wegens ziekte arbeidsongeschikt geraakt; met ingang van 5 juli 2017 is de loondoorbetalingsverplichting geëindigd en is aan hem een WIA-uitkering toegekend. De arbeidsovereenkomst is toen niet beëindigd zodat sprake was van een zogenoemd slapend dienstverband. Vanaf laatstgenoemd moment heeft O-I aan werknemer, op grond van de cao-bepalingen, een aanvulling op zijn WIA-uitkering verstrekt ten bedrage van € 590,91 bruto per maand, waar hij – in beginsel – gedurende 159 maanden recht op heeft, hetgeen in totaal op een bedrag van € 93.954,69 zou uitkomen. Tot en met december 2019 heeft werknemer als aanvulling op grond van de cao van in totaal € 17.727,30 (30 maanden x € 590,91) van I-O als aanvulling ontvangen. Naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 8 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1734) zijn partijen met elkaar in conclaaf gegaan over hoe een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten waarin zij zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 31 december 2019. O-I heeft de transitievergoeding inmiddels conform de vaststellingsovereenkomst betaald. Partijen twisten over de vraag of de transitievergoeding valt onder de noemer ‘(wettelijke en niet-wettelijke) uitkeringen’ als genoemd in de anticumulatiebepaling en daarom op de aanvulling van de WIA-uitkering in mindering mag worden gebracht.

Oordeel

Het komt aan op een uitleg van de cao-bepalingen, waarbij de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Het argument van werknemer, inhoudende dat de transitievergoeding evident niet onder de noemer wettelijke uitkering valt als bedoeld in de accumulatiebepaling omdat het geen maandelijkse uitkering is, overtuigt niet. Dat een eenmalige uitbetaling niet als uitkering kwalificeert, blijkt niet, wordt door werknemer verder ook niet onderbouwd en sluit ook niet aan bij de betekenis van het woord uitkering. Een uitkering is immers niets meer dan een som geld die – al dan niet herhaald – wordt betaald. Het in de anticumulatiebepaling opgenomen voorbeeld van een ouderdomspensioen is niet meer dan een voorbeeld, zodat de stelling van werknemer dat de transitievergoeding niet kwalificeert als een (vorm van) een ouderdomspensioen, geen factor van belang (laat staan een doorslaggevende factor) is. Ook is geen factor van belang dat de aanvullingsverplichting wegens volledige arbeidsongeschiktheid niets te maken heeft met een van de doelen van de transitievergoeding, zoals werknemer stelt. Dit is immers geen vereiste op grond van de anticumulatiebepaling. Het is enkel vereist dat het gaat om een wettelijke of niet-wettelijke uitkering, en een transitievergoeding is een uitkering (het is immers een som geld die wordt betaald) op basis van de wet en is dus naar de bewoordingen een wettelijke uitkering als bedoeld in de accumulatiebepaling. Een ander aanknopingspunt voor het oordeel dat de transitievergoeding onder de anticumulatiebepaling valt, kan gezien worden in het gegeven dat aanspraak op de aanvulling ter zake toekomt aan de (ex-)werknemer die een WAO/WIA-uitkering ontvangt, derhalve na twee jaar arbeidsongeschiktheid en dus nadat de loonbetalingsverplichting is komen te vervallen, en de arbeidsovereenkomst ten tijde van het sluiten van de cao zonder nadere financiële verplichtingen over en weer kon worden beëindigd, ware het niet dat dat laatste sinds de inwerkingtreding van de WWZ niet meer het geval is. De ratio van de anticumulatiebepaling gelezen in samenhang met bijlage IV artikel 2 van de cao lijkt erin te zijn gelegen de werknemer een bepaald bestaansminimum te garanderen tegen zo min mogelijk kosten voor de werkgever, zodat alle extra uitkeringen (immers zowel de wettelijke als niet-wettelijke, en dus ook de toentertijd nog niet bestaande transitievergoeding) hierop in mindering moeten worden gebracht. Werknemer wordt in het ongelijk gesteld.