Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 9 maart 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:2263
Feiten
De franchisenemers exploiteren vestigingen van Domino’s Pizza. Zij hebben een franchiseovereenkomst gesloten met Domino’s Pizza Nederland B.V. De franchisenemers verkopen pizza’s en bijgerechten aan het publiek, waarvoor zij ingrediënten inkopen. Vervolgens worden met die ingrediënten (vooral) pizza’s bereid, die in de meeste gevallen online/telefonisch besteld worden en door koeriers naar de klant worden gebracht. De franchisenemers hebben geen pensioenvoorziening voor hun werknemers getroffen. Bpf Detailhandel is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf). Het gaat in deze zaak om de vraag of de franchisenemers verplicht zijn de pensioenvoorziening van hun werknemers onder te brengen bij Bpf Detaihandel, dus of zij vallen onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit. In eerste aanleg hebben de franchisenemers een verklaring voor recht gevorderd dar zij niet zijn aan te merken als werkgever in de zin van het Verplichtstellingsbesluit. De rechtbank heeft die vordering echter afgewezen.
Oordeel
Volgens Bpf Detailhandel zijn de activiteiten van de franchisenemers aan te merken als detailhandel in de zin van het Verplichtstellingsbesluit omdat de franchisenemers pizza’s aan particulieren verkopen. Partijen leggen de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit verschillend uit. Het hof is allereerst van oordeel dat pizza’s onder het begrip ‘waren’ vallen. Het begrip ‘waren’ bevat naar objectieve maatstaven ook etenswaren. De franchisenemers betwisten ook niet dat het (eind)product pizza een ‘waar’ is. Dat aan de verkoop van pizza’s een bereidingsproces vooraf gaat, maakt niet dat het geen ‘waar’ meer is. Dus ook bewerkte of bereide etenswaren zijn ‘waren’. Het Verplichtstellingsbesluit ziet op ‘alle waren’: een ruime omschrijving, met enkele uitgezonderde categorieën waartoe de pizza’s niet horen. Voorts overweegt het hof dat de werkingssfeerbepaling ruim is geformuleerd en daarmee een groot toepassingsbereik heeft. De franchisenemers houden zich bezig met het verkopen van pizza’s aan particulieren en voldoen dus aan deze omschrijving. Uit de omschrijving van de verplichtstellingsbepaling blijkt niet dat het bij hun inkoop moet gaan om ‘dezelfde waren’ die zij onbewerkt moeten verkopen. Juist de toepassing van de cao-norm brengt mee dat het begrip ‘dezelfde’ niet moet worden ingelezen. Gelet op deze uitleg zijn de stellingen van de franchisenemers over het bereiden van de pizza’s via een ambachtelijk proces en over de wijziging van de chemische samenstelling van de ingekochte ingrediënten tot een pizza als een verkocht eindproduct niet van belang. Ook als daarvan sprake is, valt de verkoop van pizza’s onder de werkingssfeerbepaling. De conclusie luidt dat uit de bewoordingen van de werkingssfeerbepaling naar objectieve maatstaven volgt dat de bedrijfsactiviteiten van de franchisenemers onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit vallen. Tot slot volgt het hof het standpunt van de franchisenemers dat zij onder de uitzonderingsbepaling voor deelneming in een ander bedrijfstakpensioenfonds vallen, niet. Vaststaat dat de franchisenemers niet onder de werkingssfeer van de Stichting Pensioenfonds Horeca & Catering vallen, omdat (in elk geval de meeste vestigingen van) de franchisenemers geen restaurantfunctie hebben. Er worden bij de vestiging pizza’s afgehaald door particulieren of er worden vanuit de vestiging pizza’s bezorgd bij particulieren. Hoewel de bedrijfsactiviteiten ook verwantschap hebben met de horecabranche, vallen de franchisenemers dus niet onder de uitzonderingsbepaling van het Verplichtstellingsbesluit.