Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 5 maart 2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:1138
Feiten
Werknemer is op 1 maart 2010 in dienst getreden bij werkgeefster, laatstelijk in de functie van salesmanager en MT-lid, senior servicemanager. Op 3 augustus 2020 is werknemer op non-actief gesteld, nadat werkgever op een ongebruikelijke factuur, verontrustende informatie en ontoelaatbare uitingen was gestuit. Extern onderzoeksbureau Integis is vervolgens ingeschakeld om onderzoek te doen. Uit dit onderzoek is gebleken dat de meest verregaande normoverschrijdende opmerkingen niet van werknemer komen en dat zijn betrokkenheid bij de dagelijkse gang van zaken gering was. Werkgeefster besluit werknemer echter toch op staande voet te ontslaan. Zij doet daarbij onder meer een beroep op nevenwerkzaamheden en activiteiten die geheim zijn gehouden voor werkgeefster, waardoor omzet is misgelopen, en onjuist gedrag tijdens zakenreizen. Verder heeft werkgeefster aangegeven dat de positie van werknemer – hij werkte al meer dan 10 jaar als senior en werd hier zeer goed voor beloond – een zorgplicht, vertrouwen en loyaliteit meebrengt en werknemer dit vertrouwen opzettelijk en ernstig, gedurende lange tijd, heeft geschonden. Werknemer verzoekt de kantonrechter om aan hem een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet niet standhoudt, nu geen sprake is van een dringende reden. Volgens werkgeefster heeft werknemer samengespannen tegen haar door op grote schaal mee te doen aan concurrerende nevenactiviteiten en heeft hij een initiërende rol gespeeld bij het opzetten van een concurrerende onderneming. Vast staat dat werknemer betrokkenheid heeft gehad bij concurrerende nevenactiviteiten. Dit betreft het meewerken aan de verkoop van vier containers Coronabier ten bedrage van € 93.933. Betrokkenheid bij meer of andere activiteiten heeft werkgeefster niet aangetoond. Uit het onderzoek van Integis blijkt ook dat de mate van inhoudelijke betrokkenheid van werknemer bij de dagelijkse gang van zaken gering lijkt te zijn. Gelet op deze bevinding lag het op de weg van werkgeefster om de door haar gestelde samenspanning met voldoende (andere) feiten en omstandigheden te onderbouwen en dat is niet gebeurd. Ook de door werkgeefster gemaakte gevolgtrekking dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal, is onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat een (eerste) analyse door Integis van de creditcarduitgaven van werknemer niet heeft geleid tot aanwijzingen voor mogelijke uitgaven zonder zakelijk karakter. Ook het normoverschrijdend gedrag is door werkgeefster onvoldoende onderbouwd. Het voorgaande neemt niet weg dat werknemer zich met zijn handelwijze schuldig heeft gemaakt aan verwijtbaar handelen en nalaten als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder e BW. Dit betekent dat werkgeefster had kunnen (en moeten) kiezen voor de minder verstrekkende maatregel van ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft recht op een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding. De billijke vergoeding wordt vastgesteld op een bedrag van € 30.000 bruto. Voor de hoogte van de billijke vergoeding is rekening gehouden met de gefixeerde schadevergoeding die werknemer ontvangt. De kantonrechter acht het redelijk om de helft van die vergoeding in mindering te brengen. Daarnaast gaat de kantonrechter ervan uit dat zonder het ontslag op staande voet de arbeidsovereenkomst na vijf maanden in een ontbindingsprocedure zou zijn ontbonden op de e-grond en/of de g-grond.