Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 10 maart 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:2282
Feiten
Werknemer is met ingang van 26 augustus 1985 aangesteld als (beroeps)militair bij de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) (hierna: de Staat). Uit hoofde van voormelde aanstelling is werknemer per dezelfde datum deelnemer geworden aan de pensioenregeling, die door ABP wordt uitgevoerd. Per 1 september 2007 is aan werknemer eervol ontslag verleend. Bij besluit van 21 september 2007 is aan werknemer aansluitend aan het ontslag een wachtgelduitkering toegekend, lopende tot 6 mei 2024. WWplus B.V. betaalt voormelde wachtgelduitkering uit aan werknemer namens de Staat. Op grond van het Pensioenreglement loopt de pensioenopbouw bij een wachtgelduitkering voor 50% door. Sinds 1 januari 2016 is werknemer voor 30 uur per week werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: EZK). Vanaf dat moment heeft WWplus (aanvankelijk) geen pensioenpremies meer afgedragen voor werknemer. Op 23 maart 2018 heeft werknemer bij WWplus bezwaar gemaakt tegen het stopzetten van de afdracht van pensioenpremies. Bij beslissing op bezwaar van 31 mei 2018 is het bezwaarschrift van werknemer kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Bij e-mailbericht van 26 juli 2019 heeft WWplus aan werknemer geschreven dat, aangezien werknemer werkzaam is bij EZK, de deeltijdfactor wordt verminderd. Werknemer vordert de Staat en WWplus hoofdelijk te veroordelen om ten behoeve van zijn pensioenopbouw ter grootte van 50% uit hoofde van de Wachtgeldregeling vanaf 1 januari 2016 pensioenpremies af te dragen aan ABP op het voor werknemer bestemde polis- of aansluitnummer.
Oordeel
Pensioenreglement
Werknemer is van mening dat uit het pensioenreglement volgt dat aan een voltijdsdienstverband geen deeltijdfactor wordt toegekend en dat daarom de korting niet op hem van toepassing is. De kantonrechter volgt werknemer niet in zijn uitleg van het pensioenreglement. Allereerst moeten de artikelen van het pensioenreglement los van elkaar worden gelezen. Het is dus niet zo dat uit artikel 17.1.5 van het Pensioenreglement al voortvloeit dat artikel 17.1.6 lid 2 van het Pensioenreglement niet van toepassing is. Het vaststellen van de in beide artikelen genoemde deeltijdfactor is van belang, omdat deze factor aangeeft in welke mate de diensttijd voor de pensioenberekening meetelt. Een en ander betekent echter niet, zoals werknemer voorstaat, dat aan een voltijddienstverband geen deeltijdfactor van 1 kan worden toegekend op basis van de in beide artikelen genoemde berekeningsmethode (breuk). Dat het toekennen van een deeltijdfactor gebruikelijk is, volgt ook voldoende uit de door de Staat en WWplus gegeven toelichting. Ook het beroep van werknemer op de cao-norm gaat niet op. Net als de Staat en WWplus aanvoeren, is de kantonrechter van oordeel dat de interpretatie die werknemer geeft aan de tekst van het Pensioenreglement leidt tot een onaannemelijk rechtsgevolg. Gelet hierop staat vast dat de Staat en WWplus het pensioenreglement op de juiste wijze hebben toegepast.
Gelijkheidsbeginsel
Het beroep van werknemer op het gelijkheidsbeginsel omdat het niet gerechtvaardigd is om onderscheid te maken tussen militairen met een wachtgeldregeling en militairen met een UGM-uitkering slaagt. Vast staat dat beide uitkeringen op grond van het Pensioenreglement onder het begrip ‘ontslaguitkering’ zijn gebracht. Een onderscheid tussen de grondslag en regels van iedere uitkering wordt op grond van het pensioenreglement dus niet (meer) gemaakt, zodat in die zin sprake is van gelijke gevallen. Vanaf 1 januari 2016 wordt echter in de uitvoeringspraktijk afgeweken van het pensioenreglement voor de gevallen waar werknemer onder valt. Aangezien gelijke gevallen in dit geval ongelijk worden behandeld, omdat een vermindering van de deeltijdfactor wordt toegepast voor de pensioenopbouw over de ontslaguitkering van werknemer, wordt de vordering van werknemer op dat punt toegewezen.