Naar boven ↑

Rechtspraak

Rechtbank Noord-Holland, 18 december 2020
Loonvordering in kort geding toegewezen. Werkgever heeft ten onrechte loon werkneemster stopgezet na nieuwe ziekmelding tijdens re-integratie. Onbegrijpelijk dat door werkgever geen enkele actie is ondernomen om de belastbaarheid van werkneemster opnieuw te laten beoordelen.

Feiten

Werkneemster is op 1 november 2007 bij werkgeefster in dienst getreden als administratief medewerkster. Op 30 september 2019 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Zij heeft klachten als gevolg van artrose door haar hele lichaam en fybromyalgie. Vanaf 25 februari 2020 is werkneemster gestart met re-integreren. Op 30 mei 2020 heeft werkgeefster een deskundigenoordeel bij het UWV opgevraagd, omdat zij het niet eens is met de re-integratieadviezen van de bedrijfsarts. Op 20 juli 2020 heeft werkneemster zich weer volledig ziek gemeld. Zij heeft onder meer aangegeven dat de fysieke beperkingen zijn toegenomen dat zij ‘volledig op’ is. Verder heeft zij aangegeven op korte termijn afspraken te hebben met een orthopeed en een reumatoloog. Vervolgens heeft werkgeefster het loon van werkneemster per direct stopgezet. Op 3 augustus 2020 heeft het UWV geoordeeld dat werkgeefster voldoende re-integratie inspanningen heeft verricht en de verzekeringsarts heeft aangegeven het eens te zijn met de visie van de belastbaarheid en met het beleid van de bedrijfsarts. Op 7 oktober 2020 is werkneemster (voor het eerst fysiek) op consult bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat sprake is van bijkomende medische problematiek en heeft geadviseerd de re-integratie op te starten en stapsgewijs uit te breiden. Per 14 oktober 2020 heeft werkneemster de re-integratie hervat. Vanaf die datum heeft werkgeefster het loon weer uitbetaald. Werkneemster vordert in kort geding betaling van het salaris vanaf 20 juli 2020. Tussen partijen is in geschil of werkneemster in de periode van 20 juli tot 14 oktober 2020 in staat was te re-integreren.

Oordeel

Vast staat dat werkneemster zich op 20 juli 2020 weer volledig heeft ziek gemeld, nadat zij sinds 25 februari 2020 conform een opbouwschema bezig was met re-integreren. Volgens werkgeefster heeft werkneemster hierdoor niet voldaan aan haar re-integratieverplichtingen, omdat de bedrijfsarts op 18 mei 2020 heeft geadviseerd om werkneemster tot maximaal 18 augustus 2020 te laten re-integreren conform een tijdelijke urenbeperking. Werkgeefster miskent hiermee echter dat door de nieuwe ziekmelding sprake is van een nieuwe situatie. Het lag op de weg van werkgeefster om (bij twijfel over de ziekmelding) een bedrijfsarts in te schakelen om de belastbaarheid van werkneemster vanaf 20 juli 2020 opnieuw te laten beoordelen, hetgeen zij heeft nagelaten. Voor zover werkgeefster ter onderbouwing van haar standpunt verder heeft verwezen naar het deskundigenoordeel van 3 augustus 2020, volgt de kantonrechter haar ook daarin niet. In het rapport staat expliciet opgenomen dat het oordeel zich richt op de periode tot 30 mei 2020, zodat dit geen betrekking kan hebben op de situatie vanaf 20 juli 2020. Daarbij komt dat de verzekeringsarts werkgeefster in het oordeel tot twee keer toe heeft geadviseerd een vinger aan de pols te houden over de belastbaarheid van werkneemster. Het is dan ook onbegrijpelijk dat na de ziekmelding van 20 juli 2020 geen enkele actie is ondernomen om haar belastbaarheid opnieuw te laten beoordelen. Dat geldt temeer nu werkneemster heeft aangegeven dat zij nieuwe beperkingen had en een second opinion van een bedrijfsarts wilde. Op dringend verzoek van werkneemster heeft uiteindelijk op 7 oktober 2020 een consult bij de bedrijfsarts plaatsgevonden. De bedrijfsarts heeft op dat moment geoordeeld dat sinds het laatste consult sprake is van bijkomende medische problematiek en dat, rekening houdend met de beperkingen van werkneemster, re-integratie met een urenbeperking kan plaatsvinden. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de onduidelijkheid over de belastbaarheid van werkneemster vanaf 20 juli 2020 voor rekening en risico van werkgeefster komt. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat werkneemster in genoemde periode niet in staat was te re-integreren, zodat werkgeefster de loonstop onterecht heeft toegepast. Toewijzing van de loonvordering van werkneemster volgt.