Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Concordes
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 30 maart 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:3088
Loonvorderingen achterstallig loon en overuren ook in hoger beroep afgewezen omdat werknemer zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en/of het standpunt van werkgever onvoldoende heeft weerlegd.

Feiten

Werknemer is op 1 april 2010 in dienst getreden bij V.O.F. Concorde Koeriers (hierna: Concorde). Werknemer was aanvankelijk belast met het sorteren van poststukken en het ophalen en rondbrengen van brieven per (brom)fiets. Vanaf 1 januari 2014 ging hij met de bestelauto van Concorde pakketten rondbrengen. Hiervoor diende hij iedere dag een chauffeursrapport in te leveren. In de cao is bepaald dat de werknemer zijn diensturen moet registreren op een door de werkgever verstrekte urenverantwoordingsstaat, dat de werknemer deze, na controle door de werkgever, getekend terug ontvangt, dat de werknemer binnen drie maanden bezwaar kan maken en dat, bij gebreke van bezwaar, de urenverantwoordingsstaat als bewijs geldt. Ook staat daarin dat de werkgever de urenverantwoordingsstaten ten minste een jaar (na de datum waarop de invulling betrekking heeft) dient te bewaren. Tot slot staat daarin dat de functielonen gelden voor 160 diensturen per periode van vier weken respectievelijk 174 diensturen per maand. Werknemer heeft zich op 26 oktober 2015 ziek gemeld. Vanaf die datum heeft hij geen werkzaamheden meer verricht. Per 1 oktober 2017 ontvangt hij een uitkering van het UWV. In eerste aanleg zijn de vorderingen van werknemer omtrent loon en overuren afgewezen. In hoger beroep heeft werknemer zich hiertegen verzet.

Oordeel

Overuren

Het hof is allereerst van oordeel dat de vordering inzake de overuren ad € 10.520,63 ook in hoger beroep onvoldoende is onderbouwd. De kantonrechter heeft deze vordering derhalve terecht afgewezen. Voorop staat dat op werknemer, als degene die betaling van overuren vordert, de plicht rust te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de uren gemaakt heeft die op zijn eigen urenoverzichten zijn vermeld. Vanaf het moment dat de chauffeursrapporten door Concorde in het geding zijn gebracht was werknemer in de gelegenheid zijn eigen urenoverzicht te vergelijken met die chauffeursrapporten. Hij had dan kunnen controleren en voor de rechter inzichtelijk kunnen maken of zijn eigen urenoverzichten (per individuele dag) overeenstemmen met zijn eigen urenopgaven. Eventuele verschillen hadden op die manier benoemd kunnen worden. Een dergelijke vergelijking is door werknemer echter niet gemaakt en door dat niet te doen heeft hij zijn vordering onvoldoende onderbouwd. De door werknemer aangevoerde gronden om tot een andere bewijslastverdeling te besluiten, zijn overigens onvoldoende, zodat de bewijslast op hem blijft rusten.

Loonvorderingen

Voorts oordeelt het hof dat ook de vordering inzake het achterstallig loon over de periode tot 1 mei 2016 onvoldoende is onderbouwd. Ook hier is het aan werknemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de loonstroken onjuist zijn en het door hem gestelde loon daadwerkelijk is overeengekomen. Nu werknemer eerst wijst op het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen salaris en vervolgens een ander bedrag noemt, is het standpunt van werknemer innerlijk tegenstrijdig en daarom een ondeugdelijke onderbouwing van zijn stelling. Iedere concrete invulling van zijn stelling ontbreekt verder. De kantonrechter heeft deze loonvordering derhalve terecht afgewezen.

Het hof overweegt vervolgens dat ten aanzien van de loonvordering over de periode vanaf mei 2016 een andere bewijssituatie geldt nu Concorde een bevrijdend verweer heeft gevoerd, inhoudende dat de onderneming per 1 mei 2016 is overgenomen door Veba en dat de loonbetalingsplicht toen ingevolge artikel 7:663 BW is overgegaan op Veba. Het hof oordeelt dat Concorde dit solide heeft onderbouwd. Het verweer van werknemer hiertegen is niet aan te merken als een voldoende gemotiveerde weerlegging, omdat werknemer  de kern van de stellingen van Concorde in het geheel niet betwist. Ook deze loonvordering is in eerste aanleg dus terecht afgewezen.