Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 23 maart 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:2849
Feiten
Werknemer is per 1 mei 1980 in dienst getreden bij PGGM en in juli 1980 naar de Verenigde Staten verhuisd. Na die verhuizing bleek dat het om fiscale redenen aan de zijde van PGGM gunstiger was om haar activiteiten in de Verenigde Staten in een daar gevestigde dochteronderneming onder te brengen. Daartoe is door PGGM de dochteronderneming Dutch Institutional Investments Inc (DII) opgericht. Werknemer is (met terugwerkende kracht) op 14 juli 1980 in dienst getreden bij DII. Vanaf 1 januari 1989 heeft hij voor een andere dochteronderneming van PGGM in de Verenigde Staten gewerkt. Werknemer heeft daar ontslag genomen en per 31 oktober 1990 is dat dienstverband geëindigd. Tot zijn arbeidsvoorwaarden behoorde deelname in de pensioenregeling. Gedurende de periode 1 januari 1982 tot 31 december 1984 heeft werknemer deelgenomen aan een zogenoemde SEP/IRA-regeling en van 1 januari 1985 tot 31 oktober 1990 aan een opvolgende regeling, het Money Purchase Pension Plan (MPPP). In 2008 is PGGM gesplitst in het pensioenfonds PFZW en de pensioenuitvoerder PGGM. Werknemer spreekt in deze zaak PFZW als zijn voormalig werkgever aan op grond van een toezegging aangaande zijn pensioen. Werknemer vordert in deze procedure dat hem alsnog een levenslang ouderdoms- en nabestaandenpensioen wordt uitgekeerd, althans dat hem een schadevergoeding, op te maken bij staat, wordt toegekend.
Oordeel
Werknemer baseert zijn vorderingen op een brief van PGGM van 30 december 1980. Daarin wordt bevestigd dat de arbeidsovereenkomst van werknemer met PGGM is geëindigd per 14 juli 1980 en dat hij per die datum als president in dienst treedt bij DII. In de brief staat dat de arbeidsvoorwaarden gelijk blijven. Het hof wijst de vorderingen – evenals de kantonrechter – af, omdat die zijn verjaard.
Verjaring nakoming
Tussen werknemer en PGGM is na de brief van 30 december 1980 veelvuldig gesproken over de wijze waarop de arbeidsvoorwaarden van werknemer bij DII ingevuld moesten worden. Dat overleg ging behalve over de hoogte van zijn salaris ook over de invulling van zijn pensioenvoorziening op basis van de afspraak uit de brief van 30 december 1980. Uit de gang van zaken volgt dat het voor werknemer in 1983, maar in elk geval bij het einde van zijn dienstverband met de aan PGGM gelieerde ondernemingen per 1 oktober 1990, duidelijk was dat er in zijn ogen geen gelijkwaardige pensioenvoorziening was getroffen en dat PGGM de afspraken daarover niet was nagekomen. Het hof ziet de brief van 5 april 1983, anders dan werknemer, als een vaststellingsovereenkomst. Werknemer heeft ook bij het einde van het dienstverband niet alsnog om nakoming van de afspraken over zijn pensioen gevraagd. De nakomingsvordering was uiterlijk op die datum, 1 oktober 1990, opeisbaar. De vordering is op 2 oktober 1995 verjaard.
Verjaring schadevergoedingsvordering
Werknemer was vanaf de vaststellingsovereenkomst van 1983 bekend met het feit dat hij schade zou lijden doordat hij onvoldoende pensioen uitgekeerd zou krijgen. Hij was in elk geval uiterlijk op het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (12 oktober 2009) daadwerkelijk bekend met het feit dat hij schade leed. Hij was dus op dat moment daadwerkelijk in staat een rechtsvordering tot vergoeding zijn schade in te stellen. Ook zijn stelling dat PGGM aansprakelijk is op grond van de toezegging treft geen doel. De schadevergoedingsvordering is verjaard op 13 oktober 2014.