Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 12 februari 2021
ECLI:NL:RBLIM:2021:1931
Feiten
Werkneemster is op 22 juni 2020 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Call Cogens B.V. (hierna: Cogens) in de functie van receptioniste. Op 20 juli 2020 is de arbeidsovereenkomst door een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vervangen. In de arbeidsovereenkomst is een verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden opgenomen. Werkneemster is actief in de paardensport en verhuurt stallen. Bij brief van 26 oktober 2020 heeft Cogens een waarschuwing gegeven vanwege ongeoorloofde afwezigheid en disfunctioneren. Op dinsdag 27 oktober 2020 is werkneemster naar huis gegaan in verband met mogelijke coronagerelateerde klachten. Op vrijdag 30 oktober 2020 heeft werkneemster aan Cogens gemeld dat zij geen corona heeft, maar dat zij nog steeds ziek is. Omdat de directeur van Cogens van collega’s vernam dat zij werkneemster (mogelijk) hebben zien rijden in de bedrijfsauto, heeft hij werkneemster driemaal per Whatsapp gevraagd of zij op maandag 2 november 2020 weer kon komen werken. Werkneemster heeft aangegeven hier nog niet toe in staat te zijn. Daarop is de directeur naar het door werkneemster opgegeven verblijfsadres, alsmede het adres van haar partner, gereden. Aldaar kreeg de directeur te horen dat werkneemster niet ziek in bed lag, maar onderweg was met een paard. Werkneemster is op 2 november 2020 op het werk verschenen. Daar is haar medegedeeld dat zij op staande voet is ontslagen, vanwege leugens omtrent haar ziekte, disfunctioneren en schending van het verbod op nevenactiviteiten. In deze procedure verzoekt werkneemster vernietiging van het ontslag op staande voet, alsmede betaling van een transitievergoeding, billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding.
Oordeel
De kantonrechter overweegt allereerst dat Cogens bredere verwijten aan het ontslag op staande voet ten grondslag legt, dan dat zij in de ontslagbrief heeft uiteengezet. Naar het oordeel van de kantonrechter valt de leugen van werkneemster niet te kwalificeren als een dringende reden. Allereerst acht de kantonrechter relevant dat Cogens niet onderbouwd heeft betwist dat werkneemster ziek was. Er is immers geen bedrijfsarts ingeschakeld. Ook is de directeur te ver gegaan door werkneemster – in het weekend – meerdere Whatsappberichten te zenden en haar op te zoeken op het opgegeven verblijfsadres en dat van haar partner. Werkneemster is hierdoor op onaanvaardbare wijze onder druk gezet. Verder acht de kantonrechter relevant dat een werknemer niet gehouden is een werkgever op de hoogte te brengen van de aard van de klachten en dat een werkgever bovendien ook niet kan beoordelen of een werknemer ziek is. Ook het disfunctioneren behelst geen dringende reden. Aangezien postverwerking niet tot haar hoofdtaken behoorde en werkneemster – met medeweten van de officemanager – plotseling moest vertrekken omdat zij buikgriepklachten had (ter voorkoming van verspreiding een eventuele coronabesmetting), kan het werkneemster niet worden aangerekend dat zij de post heeft laten liggen. De kantonrechter is tot slot van oordeel dat de werkzaamheden van werkneemster voor haar paardenpension evenmin een dringende reden opleveren. Er was niet al bij aanvang van de arbeidsovereenkomst sprake van professionele activiteiten. Daarnaast staat buiten kijf dat deze werkzaamheden niet concurrerend waren voor Cogens. De conclusie is derhalve dat het ontslag op staande voet zal worden vernietigd. Het gevolg is dat er op 2 november 2020 geen opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden. De arbeidsovereenkomst duurt nog voort en de loonvordering wordt toegewezen.