Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 30 maart 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:3494
Feiten
Werknemer is op 9 juni 2020 als monteur in dienst getreden bij Connect Infra Techniek B.V. (hierna: CIT) op basis van een arbeidsovereenkomst voor zeven maanden. Ten behoeve van de uitvoering van zijn werkzaamheden is werknemer een bedrijfsauto en brandstofpas ter beschikking gesteld. Nadat CIT had geconstateerd dat werknemer in privé met de bedrijfsauto had gereden, wat niet is toegestaan, heeft op 26 oktober 2020 een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Tijdens dat gesprek heeft werknemer aan CIT aangegeven dat hij zijn arbeidsovereenkomst met CIT wilde beëindigen. Bij brief van 29 oktober 2020 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst per diezelfde datum tussentijds opgezegd en is hij niet meer op het werk verschenen. Bij brief van 5 november 2020 heeft de gemachtigde van CIT aan werknemer laten weten dat sprake is van een onregelmatige opzegging en dat CIT aanspraak maakt op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, terugbetaling van onverschuldigd loon, betaling van een boete voor het privégebruik van de bedrijfsauto, betaling van met de brandstofpas afgenomen brandstof voor privégebruik en vergoeding van niet geretourneerde bedrijfsmiddelen. Werknemer heeft niet op deze brief gereageerd. CIT verzoekt de kantonrechter werknemer te veroordelen de voornoemde vergoedingen te betalen.
Oordeel
Werknemer is niet in het geding verschenen, waardoor tegen hem verstek wordt verleend. Het verzoek tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.274,27 komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze wordt toegewezen, evenals de gevorderde terugbetaling van het onverschuldigd betaalde loon van € 185,81, de vervangingskosten van het niet geretourneerde aggregaat van € 2.400 en de betaling van een bedrag van € 949,10 voor privé met de brandstofpas afgenomen Euro95 en een bedrag van € 159,85 voor privé met de brandstofpas afgenomen diesel. Ten aanzien van het verzoek tot betaling van een boete voor het privégebruik van de bedrijfsauto van in totaal een bedrag van € 11.173,05, welke boete is gebaseerd op artikel 4 lid 1 van Addendum 1 op de arbeidsovereenkomst, oordeelt de kantonrechter als volgt. In dat artikel staat opgenomen dat de werkgever de werknemer een boete oplegt van € 100 per geconstateerde overtreding alsmede een bedrag van € 2,50 per verreden kilometer. De bestemming van de boete wordt echter niet nauwkeurig vermeld, waardoor het beding nietig is en de vordering tot betaling van de boete wordt afgewezen.