Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 20 april 2021
ECLI:NL:RBOVE:2021:1664
Feiten
FNV vordert in de hoofdzaak – samengevat – dat de kantonrechter bepaalt dat Scania Production Zwolle B.V. (hierna: Scania) met het (verlengde) COVID-19-convenant in strijd met de Cao Metalelektro en artikel 7:628 BW handelt, dat artikel 3.7.2. onder e Cao Metalelektro niet voorziet in de mogelijkheid om met de ondernemingsraad afspraken te maken over een urenbankregeling en de daarbij in acht te nemen maatregelen en arbeidsvoorwaarden, dat Scania het loon over de meeruren moet betalen en dat Scania het COVID-19-convenant niet langer toe mag passen en de gevolgen van de toepassing daarvan ongedaan maakt of compenseert. CNV vordert in het incident dat haar wordt toegestaan zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van FNV. CNV stelt dat zij daarbij belang heeft, nu CNV partij is bij de Cao Metalektro en dat CNV in die hoedanigheid wenst toe te zien op een correcte uitleg daarvan, namelijk die uitleg die FNV daaraan geeft. De uitkomst van deze zaak is volgens CNV niet alleen van belang voor FNV en Scania, maar ook voor CNV, haar leden en alle ondernemingen waarop de Cao Metalelektro van toepassing is. Ook bij die andere ondernemingen werken leden van CNV, waarvan CNV de belangen behartigt. Daarmee is ook voor CNV een juiste uitleg van de Cao Metalelektro van groot belang.
Oordeel
De vordering tot voeging dient beoordeeld te worden aan de hand van artikel 217 Rv, op grond waarvan eenieder die een belang heeft bij een tussen partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een belang tot voeging is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden (ECLI:NL:HR:2008:BC6692). De kantonrechter is van oordeel dat de incidentele vordering tot voeging van CNV moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en tevens niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.