Naar boven ↑

Rechtspraak

X/MDG Techniek Holland B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 maart 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:3392
Geen sprake van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW, aangezien op verzoek van ‘X’ geen uitvoering was gegeven aan een aangeboden arbeidsovereenkomst en hij zich onder meer naar de Belastingdienst toe heeft gepresenteerd als ondernemer. Geen sprake van gezagsverhouding, vanwege grote vrijheid indeling uren.

Feiten

‘X’ was in 2014 al enige tijd in dienst bij ‘bedrijf 1’, toen dit bedrijf werd overgenomen door de toenmalige eigenaar van MDG Techniek Holland B.V. (hierna: MDG). Vanaf dat moment is ‘X’ zijn werkzaamheden voor ‘bedrijf 1’ via zijn eenmanszaak gaan verrichten en is ‘bedrijf 1’ geheel onder leiding van ‘X’ komen te staan. Voor zijn werkzaamheden factureerde hij via zijn bedrijf direct aan ‘bedrijf 1’. Om kosten te besparen is ‘bedrijf 1’ verhuisd naar Capelle aan den IJssel, op hetzelfde adres als dat van MDG. De bedrijfsactiviteiten van ‘bedrijf 1’ werden vanaf dat moment vanuit hetzelfde adres als waarop MDG is gevestigd geëxploiteerd. ‘X’ is toen, naast zijn werkzaamheden voor ‘bedrijf 1’, ook werkzaamheden voor MDG gaan verrichten. Op een gegeven moment zijn de werkzaamheden en de naam van ‘bedrijf 1’ gewijzigd en is ‘bedrijf 1’ uiteindelijk failliet verklaard. Vanaf (eind) 2015, nog voor de naamswijziging van ‘bedrijf 1’, is ‘X’ via zijn eenmanszaak fulltime werkzaamheden gaan verrichten voor MDG. Hij voerde werkzaamheden uit die passen bij de functie van bedrijfsleider. Voor zijn werkzaamheden bij MDG heeft hij altijd conform afspraak maandelijks een bedrag van (laatstelijk) € 6.000 (excl. btw) gefactureerd. In september 2017 heeft MDG hem een arbeidsovereenkomst aangeboden. Aan deze arbeidsovereenkomst is op verzoek van ‘X’ geen uitvoering gegeven. Op 2 november 2020 heeft MDG tijdens een gesprek met ‘X’ laten weten de samenwerking per direct te beëindigen. Met toestemming van MDG mocht hij tot januari 2021 blijven factureren. ‘X’ verzoekt de kantonrechter de opzegging c.q. het gegeven ontslag van 2 november 2020 te vernietigen en MDG te veroordelen tot betaling van het brutomaandloon van € 6.000 vanaf 1 december 2020 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. MDG heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en stelt daarbij dat ‘X’ zijn werkzaamheden heeft verricht op basis van een opdrachtovereenkomst en dat er dus geen sprake was van een arbeidsovereenkomst.

Oordeel

Kernvraag in deze zaak is of in de relatie tussen MDG en ‘X’ sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Naar het oordeel van de kantonrechter is in het onderhavige geval geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Vast staat dat ‘X’ maandelijks vanuit zijn eenmanszaak een factuur stuurde naar MDG voor de door hem verrichte werkzaamheden. Hierbij werd telkens een vast bedrag, verhoogd met de btw, in rekening gebracht. Ter zitting heeft ‘X’ desgevraagd verklaard dat hij de btw afdroeg en gebruikmaakte van de fiscale vrijstellingen die gelden voor ondernemers. Hij heeft zich dus naar de Belastingdienst toe gepresenteerd als ondernemer. Ook staat vast dat van enige afdrachten van loonheffing of sociale premies door MDG geen sprake is geweest. Verder is niet gebleken dat vakantiedagen zijn opgenomen en zijn uitgekeerd. MDG heeft onweersproken gesteld dat ‘X’ maandelijks, ongeacht het aantal uren dat hij heeft gewerkt, een vast bedrag mocht factureren. Volgens ‘X’ werden door MDG ook geen vakantie-uren bijgehouden. Voorts heeft ‘X’ ook geen vakantiegeld gekregen en zijn er geen loonstroken opgemaakt. Ook is onvoldoende gebleken dat tussen partijen sprake was van een gezagsverhouding. Dat ‘X’ de werkzaamheden conform de wensen van MDG diende uit te voeren, leidt niet automatisch tot de conclusie dat sprake is van een gezagsverhouding. In het kader van een overeenkomst van opdracht kunnen immers ook instructies worden gegeven. Dat ‘X’ een visitekaartje kreeg waarop hij gepresenteerd werd als medewerker van MDG, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts blijkt uit de door MDG in het geding gebracht correspondentie dat ‘X’ regelmatig ‘te laat’ kwam, zonder dat daar door MDG consequenties aan werden verbonden. Deze correspondentie duidt erop dat ‘X’ grotendeels vrij was om zijn uren zelf in te delen. De kantonrechter acht tevens van belang dat ‘X’ zich ook niet eerder dan in de onderhavige procedure op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat op verzoek van ‘X’ geen uitvoering is gegeven aan een aangeboden arbeidsovereenkomst, omdat hij zijn vrijheden als zzp’er wilde behouden. ‘X’ heeft destijds aldus bewust gekozen voor het ondernemerschap. Nadien hebben er in de verhouding tussen ‘X’ en MDG geen veranderingen plaatsgevonden. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst van opdracht. Een overeenkomst van opdracht kan te allen tijde worden opgezegd. Niet gebleken is dat partijen anders zijn overeengekomen. Dit betekent dat de opzegging van MDG op 2 november 2020 rechtsgeldig is. Het verzoek tot vernietiging van de opzegging wordt afgewezen.