Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 6 april 2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:1620
Feiten
Werknemer is van 1 maart 2018 tot 1 augustus 2020 in dienst geweest van Spilberg Development B.V. (hierna: Spilberg), een onderneming die zich richt op recruitment op het gebied van IT, specifiek op het gebied van IT Development. In een Appendix, die onderdeel uitmaakte van de arbeidsovereenkomst, was een non-concurrentiebeding opgenomen. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat overtreding van de bedingen leidt tot een boete van € 4.000, te verhogen met € 400 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. Na 1 augustus 2020 heeft werknemer enige tijd bij Talpa gewerkt en vanaf 1 december 2020 is hij in dienst getreden bij Sterrk Detachering B.V. (hierna: Sterrk), volgens Spilberg een directe concurrent van haar. Spilberg vordert bij voorlopige voorziening werknemer onder meer te veroordelen tot onmiddellijke staking en gestaakt houden van de overtreding van het concurrentiebeding op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Oordeel
Uitgangspunt is, nu dit door geen van partijen is bestreden, dat sprake is van een rechtsgeldig concurrentiebeding. De te beantwoorden vraag is of voldoende is komen vast te staan dat werknemer met zijn werkzaamheden bij Sterrk dit beding overtreedt en of werknemer door het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van Spilberg. Daarvoor dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van Spilberg op bescherming van haar bedrijfsdebiet en anderzijds het belang van werknemer om zich vrij te kunnen bewegen op de arbeidsmarkt, zich verder te kunnen ontwikkelen en zijn arbeidsrechtelijke positie te verbeteren. In situaties als hier aan de orde betekent de enkele overgang van een werknemer naar een concurrent niet dat de achterblijvende werkgever in zijn debiet is aangetast. Het gaat erom dat wordt vastgesteld dat de nieuwe werkgever in het voordeel is doordat de werknemer essentiële informatie meeneemt over producten, diensten en/of werkprocessen dan wel doordat de werknemer zodanige klantbinding heeft dat bepaalde klanten overstappen van de oude naar de nieuwe werkgever. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Spilberg voldoende aannemelijk gemaakt dat Sterrk een directe concurrent van haar is en dat beide ondernemingen opereren in de specifieke markt voor recruitment van IT developers. Niet uitgesloten is dat werknemer in zijn nieuwe functie nu op iets meer afstand van de markt opereert en minder directe klantcontacten heeft, maar het is voor de hand liggend dat hij bij het aansturen van zijn mensen gebruik kan maken van kennis er ervaring van de IT-developersmarkt (producten, diensten, werkprocessen en klanten) die hij bij Spilberg heeft opgedaan en, ook al verschillen partijen van mening over de omvang daarvan, en de opleiding die hij heeft gehad bij Spilberg. Sterrk heeft daarmee met de komst van werknemer een voordeel gekregen, ten nadele van Spilberg. Naar het oordeel van de kantonrechter overtreedt werknemer met zijn huidige werkzaamheden het concurrentiebeding. Tevens oordeelt de kantonrechter dat de belangen van Spilberg bij handhaving van het concurrentiebeding zwaarder wegen dan het belang van werknemer om zich hier niet aan te houden, mede gelet op het feit dat werknemer na toewijzing van het verbod nog slechts vier maanden beperkt wordt, wat een beperkte inbreuk oplevert, en het beding niet in de weg staat aan een voortzetting van zijn loopbaan in de andere takken van sport in de recruitmentsector. De kantonrechter acht een vergoeding op basis van artikel 7:653 lid 5 BW dan ook niet op zijn plaats, nu werknemer direct na het einde van de arbeidsovereenkomst met Spilberg werk heeft gevonden bij Talpa en er voor een recruiter als werknemer meer dan voldoende emplooi is in de recruitmentsector buiten het specifieke vakgebied van IT development en dat het concurrentiebeding hem dat niet verbiedt. Ten slotte is ook hier van belang dat het beding nog slechts beperkte tijd van kracht zal zijn.