Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 14 april 2021
ECLI:NL:RBNHO:2021:3129
Feiten
Salo U.A. is een coöperatieve vereniging van ongeveer 650 loodgietersbedrijven. Tussen werknemer 1 en Salo heeft vanaf 1 januari 1997 een arbeidsovereenkomst bestaan. Op 22 december 2018 heeft werknemer 1 aan het bestuur van Salo geschreven dat er bij Salo malversaties hebben plaatsgevonden en dat hij deze openbaar zou maken als het bestuur van Salo niet zou vertrekken. Op 24 december 2018 heeft Salo werknemer 1 op staande voet ontslagen. Uiteindelijk is de arbeidsovereenkomst in rechte per 1 augustus 2019 ontbonden. Op verzoek van de toezichtcommissie van Salo heeft Grant Thornton Forensic & Investigation Services B.V. (hierna: Grant Thornton) het handelen van Salo onderzocht. Hiervan heeft zij een rapport opgemaakt. Salo vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat werknemer 1 en werknemer 2 zich ieder voor zich en tezamen schuldig hebben gemaakt aan een onrechtmatige daad jegens Salo, haar leden, directie en bestuur. Werknemer 1 vordert in het incident onder meer dat de rechtbank de zaak op grond van artikel 71 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verwijst naar de kamer voor kantonzaken en vordert inzage in het Grant Thornton-rapport.
Oordeel
Verwijzing kantonrechter
In deze zaak is sprake van zogenoemde subjectieve cumulatie: doordat Salo werknemer 1 en werknemer 2 bij dezelfde dagvaarding in rechte heeft betrokken, zijn meerdere vorderingen in één procedure samengevoegd. Anders dan voor objectieve cumulatie kent de wet geen competentieregeling voor subjectieve cumulatie. Daarom moet voor elke gedaagde afzonderlijk worden beoordeeld of de rechtbank dan wel de kantonrechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Door de kantonrechter worden behandeld en beslist ‘zaken betreffende een arbeidsovereenkomst’. Uit het woord ‘betreffende’ blijkt dat het niet alleen gaat om vorderingen die hun grondslag hebben in een arbeidsovereenkomst. Voldoende is dat de vordering verband houdt met een arbeidsovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van Salo verband houdt met de arbeidsovereenkomst van werknemer 1. De gedragingen die Salo ten grondslag legt aan de vordering vonden (gedeeltelijk) plaats tijdens het dienstverband van werknemer 1 en hebben geleid tot beëindiging daarvan. De vordering tegen werknemer 1 moet daarom op grond van artikel 71 lid 2 Rv naar de kantonrechter worden verwezen. Omdat de vordering tegen werknemer 2 door de rechtbank moet worden behandeld, zou dit betekenen dat de vorderingen door verschillende rechters worden beoordeeld. Aangezien het feitencomplex en de rechtsgronden van de vorderingen tegen werknemer 1 en werknemer 2 (nagenoeg) hetzelfde zijn, is de rechtbank van oordeel dat deze vorderingen zodanig samenhangen dat het uit proceseconomisch oogpunt wenselijk is dat deze door één rechter worden beslist. Het splitsen van de zaak door alleen de vordering tegen werknemer 1 te verwijzen naar de kantonrechter, is daarom onwenselijk. Met werknemer 2 is de rechtbank van oordeel dat het vanuit proceseconomisch oogpunt efficiënt is om de verwijzing ook te laten gelden voor de zaak tegen werknemer 2. Naar analogie van artikel 94 lid 2 Rv en in het belang van een goede procesorde zal de rechtbank daarom de gehele zaak verwijzen naar de kantonrechter.
Inzage bescheiden
De rechtbank oordeelt dat werknemer 1 onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een rechtmatig belang heeft bij inzage in de bescheiden, naast wat door de toezichtscommissie Salo is weergegeven. In de hoofdzaak is in geschil of werknemer 1 en werknemer 2 onrechtmatig hebben gehandeld jegens Salo. Salo baseert deze vordering op diverse gedragingen, waaronder het aansturen door werknemer 1 en werknemer 2 op ernstige ontwrichting van Salo en het zich wederrechtelijk toe-eigenen en delen van bedrijfsgevoelige informatie van Salo. De bescheiden zien echter op het handelen van (het bestuur van) Salo, dat niet ter beoordeling staat. Daarbij komt dat uit zijn onderbouwing volgt dat werknemer 1 met zijn vordering beoogt in het bezit te komen van stukken waarvan hij vermoedt dat die (alsnog) steun zouden kunnen geven aan bepaalde stellingen. Werknemer 1 miskent daarmee dat artikel 843a Rv voor dergelijke ‘fishing expeditions’ geen ruimte biedt. Dit betekent dat de overige vereisten verder onbesproken kunnen blijven. De vordering zal worden afgewezen.