Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 30 april 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:3786
Feiten
Werkneemster is op 1 maart 2017 in dienst getreden bij werkgever in de functie van medewerkster horeca/bar. Het brutoloon van werkneemster is in 2018 verhoogd naar € 10,66 per gewerkt uur. In 2019 is dit verhoogd tot € 10,88 per gewerkt uur. In 2018 is werkneemster ziek geworden, waarna tussen partijen verschillende conflicten zijn ontstaan. Werkneemster heeft jegens werkgever een procedure aanhangig gemaakt, waarin op 10 januari 2020 door de kantonrechter uitspraak is gedaan. In het vonnis is onder meer bepaald dat werkgever het salaris over 2018, gebaseerd op 123,5 uur per maand, uit dient te betalen en een correcte afrekening moet opstellen. Tijdens voormelde procedure hebben partijen op 18 september 2019 een vaststellingsovereenkomst (‘vso’) gesloten. Werkneemster vordert onder meer dat werkgever wordt veroordeeld tot betaling aan werkneemster van een bedrag van € 4.220,47.
Oordeel
Partijen zijn in geschil over de volgende punten: de hoogte van het vakantiegeld, de hoogte van de vergoeding ten aanzien van de vakantiedagen, de aftrek van 5% wegens ziekte, de contante betalingen en het loonbeslag.
5% aftrek wegens ziekte
Ter zitting erkent werkgever dat hij bij de nabetaling een percentage van 90% heeft gehanteerd in plaats van een percentage van 95%. Gelet op het berekende bedrag van € 2.705,50 dient dit bedrag vermeerderd te worden met 5%, wat neerkomt op een bedrag van (12 x 23,5 uur x € 10,66 x 5%=) € 150,31. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen voor een bedrag van € 216,13.
Vakantiegeld
Gelet op artikel 4.1 van de arbeidsovereenkomst dient werkgever inderdaad 8,73% in plaats van 8% aan vakantiegeld te betalen aan werkneemster.
Vakantiedagen
Werkneemster vordert de betaling van 9,78% als vergoeding voor de door haar opgebouwde vakantiedagen. Werkgever betwist dit en voert aan dat werkneemster recht heeft op twintig vakantiedagen per jaar. Hiervan wordt één (wacht)dag in mindering gebracht wegens een ziekmelding van werkneemster. Aangezien werkneemster niet heeft betwist dat zij wegens een ziekmelding recht heeft op één (wacht)dag minder, dient deze verrekend te worden, alvorens het door werkgever te betalen bedrag kan worden betaald.
Contante betalingen
Werkneemster vordert de betaling van € 800, omdat werkgever dit bedrag onterecht in mindering heeft gebracht van het totaal door hem te betalen loon over 2018. Werkneemster erkent dat bezoek van werkgever heeft plaatsgevonden, maar betwist dat werkgever toen contante betalingen heeft verricht. Werkgever geeft aan dat hij geen bewijs kan leveren van deze betalingen. Gelet hierop kan de kantonrechter niet vaststellen dat de door werkgever gestelde betalingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Dit deel van de vordering van werkneemster zal worden toegewezen voor een bedrag van € 800.
Loonbeslag
Werkneemster vordert de betaling van € 901,74, omdat werkgever dit bedrag tweemaal zou hebben verrekend met het loon van werkneemster. Werkgever betwist dit. In totaal heeft werkgever € 2.497,82 aan de belastingdienst afgedragen inzake een loonbeslag op het loon van werkneemster. Over 2017 heeft werkgever € 1.596,08 aan de belastingdienst afgedragen en in 2018 € 901,74. Gelet op het bovenstaande is er dan ook geen sprake van een dubbele betaling/verrekening door werkgever.
Salaris 2019
Werkneemster vordert tevens betaling van een bedrag van € 1.800 aan te weinig betaald salaris over de periode januari-oktober 2019 en stelt in dit kader het volgende. Werkneemster had deze periode recht op € 10.720,65 aan salaris, maar heeft slechts € 8.920,65 ontvangen. Het totaalbedrag is op dezelfde manier berekend als het salaris in 2018, met inachtneming van de in het vonnis van 10 januari 2020 vastgestelde 123,5 uur per maand. Alleen over de maanden maart-augustus is 25% in mindering gebracht op dit bedrag. Werkgever betwist het door werkneemster gestelde en voert aan dat de vastgestelde 123,5 uur per maand alleen ziet op de gewerkte uren in 2018 en niet op die van 2019.
De kantonrechter oordeelt dat werkneemster haar vordering onvoldoende heeft gemotiveerd om over te kunnen gaan tot toewijzing hiervan. Werkneemster hanteert in dit geval de in het vonnis van 10 januari 2020 vastgestelde 123,5 uur per maand. Deze uren zijn door de kantonrechter vastgesteld door middel van een referteperiode over het jaar 2017. Werkneemster laat echter na te motiveren waarom deze uren ook van toepassing zouden moeten zijn over het jaar 2019. Werkneemster laat tevens na te motiveren waarom er over de maanden maart-augustus 25% in mindering wordt gebracht. Gelet op het bovenstaande zal dit deel van de vordering van werkneemster worden afgewezen.
Verrekening
Samengevat zal in beginsel een resterend bedrag van € 1.469,75 worden toegewezen. Werkgever heeft aangegeven dat hij een fout heeft gemaakt bij het betalen van de overeengekomen transitievergoeding. Zodoende heeft werkgever € 1.374,38 te veel aan werkneemster betaald. Werkgever heeft aangegeven dat hij dit bedrag wenst te verrekenen met het bedrag dat hij dient te voldoen aan werkneemster. Werkneemster heeft het door werkgever gestelde niet betwist. Het beroep van werkgever op verrekening slaagt dan ook. Werkgever zal daarom worden veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 95,37 aan werkneemster.