Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 25 maart 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:3805
Feiten
Werkgever drijft sinds 1 oktober 2010 een onderneming in de algemene burgerlijke en utiliteitsbouw. Bpf Bouw voert een verplicht gestelde pensioenregeling uit voor ondernemingen op het gebied van onder andere het bouw- en infrabedrijf. Werkgever heeft zich op 31 oktober 2018 aangemeld bij Bpf Bouw. Op 9 november 2018 heeft werkgever twee werknemers aangemeld voor de periode januari 2012 tot en met juni 2013 en april 2014 tot en met juni 2014. Op 28 april 2019 heeft Bpf Bouw aan werkgever een premienota gestuurd. Op 14 augustus 2019 heeft Bpf Bouw werkgever gesommeerd tot betaling over te gaan. Werkgever heeft de vorderingen van Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & lnfra en Stichting Aanvullingsfonds Bouw & lnfra voldaan. De vordering van Bpf Bouw is niet voldaan. Op 28 oktober 2019 heeft Bpf Bouw het faillissementsverzoek ingetrokken. Op 21 februari 2020 heeft Bpf Bouw een dwangbevel tegen werkgever uitgevaardigd tot afdracht van € 3.323,58 aan achterstallige pensioenpremies. Werkgever komt in verzet tegen het dwangbevel van 4 maart 2020 en vordert in deze procedure vernietiging van het dwangbevel, alsmede Bpf Bouwnijverheid te bevelen de verschuldigde bedragen aan pensioenpremies en wettelijke handelsrente opnieuw vast te stellen dan wel die bedragen zelf vast te stellen.
Oordeel
De kantonrechter overweegt allereerst dat werkgever voldoende op de hoogte was van de vordering en dat hij meerdere kansen heeft gekregen om tot betaling over te gaan. Het gestelde gebrek aan een aanmaning, mocht dit al terecht zijn, is derhalve niet zo ernstig dat dit leidt tot nietigheid van het dwangbevel. Werkgever heeft erkend dat hij in de periode waarover premie wordt gevorderd, verplicht was tot deelneming in Bpf Bouw en derhalve tot premiebetaling. Ook heeft werkgever erkend dat hij zich voor het eerst op 31 oktober 2019 heeft aangemeld en dat hij gehouden is tot betaling van premies over de periode 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014. Dit betekent dat Bpf Bouw de premies over deze periode in ieder geval terecht heeft ingevorderd. Ten aanzien van de premies over de periode januari 2012 tot en met juni 2013 beroept werkgever zich echter op verjaring. De omstandigheid dat Bpf Bouw tot 31 oktober 2018 onbekend was met werkgever en zijn vorderingsrecht op werkgever, betekent naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de vordering daarmee niet opeisbaar is geworden. Dit brengt mee dat de verjaringstermijn voor de premies over de periode januari 2012 tot en met juni 2013 al was voltooid op het moment dat Bpf Bouw hierop voor het eerst aanspraak heeft gemaakt. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat het beroep van Bpf Bouw op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt. De kantonrechter acht het aan werkgever toe te rekenen dat hij door zich jarenlang niet aan te melden bij Bpf Bouw onbekend is gebleven, waardoor Bpf Bouw niet in staat is geweest zijn vorderingen tijdig in te stellen. Ook wordt het systeem van de Wet Bpf meegewogen. Het uitblijven van premiebetaling door een werkgever leidt er immers niet toe dat een bedrijfstakpensioenfonds als Bpf Bouw geen pensioenuitkeringen verschuldigd is aan de deelnemers. Daarmee verdraagt zich niet de mogelijkheid dat een werkgever door jarenlang stilzitten aan de premiebetalingsverplichting kan ontkomen. De kantonrechter is daarom met Bpf Bouw van oordeel dat onder deze omstandigheden de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zich verzet tegen een beroep van werkgever op verjaring, zodat Bpf Bouw de premies over de periode 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2013 terecht heeft ingevorderd.