Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg en Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen/Mr. G.J. de Bock q.q. en Bergings Centrale Bollenstreek B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 4 mei 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:4403
Inmiddels failliete werkgever valt onder de verplichtstelling van PFV en onder de algemeen verbindend verklaarde cao van SOOB.

Feiten

PFV c.s. vinden dat BCB onder hun werkingssfeer valt en zij hebben BCB in augustus 2014 gesommeerd tot betaling van achterstallige premie en bij niet-tijdige betaling een procedure aangekondigd. Volgens BCB klopt dit niet en zij beroept zich daarvoor op een convenant uit 2012 waarbij onder meer partij zijn PFV en de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (hierna: PMT). Tijdens de procedure is BCB op 25 november 2016 failliet verklaard. De curator heeft aangegeven de procedure in conventie niet over te nemen en geen bezwaar te hebben tegen voortzetting van die procedure buiten bezwaar van de boedel. De kantonrechter heeft de procedure in reconventie geschorst en in conventie verwogen dat hij de conclusies van de deskundige niet overneemt en vervolgens heeft hij voor recht verklaard dat BCB zich niet bij PFV c.s. hoeft aan te sluiten. PFV c.s. zijn het niet met die beslissing eens en komen tegen het vonnis in hoger beroep.

Oordeel

Het hof zal de uitspraak van de kantonrechter vernietigen en voor recht verklaren dat BCB onder de verplichtstelling van PFV valt en onder de algemeen verbindend verklaarde cao van SOOB. PFV c.s. kaarten terecht aan dat de door hen verlangde verklaring voor recht er niet toe strekt dat de failliete boedel iets moet betalen. Daarom heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat de gehele procedure in reconventie is geschorst en een beslissing op dit onderdeel ten onrechte achterwege gelaten. PFV c.s. hebben aangevoerd dat zij belang hebben bij de verklaring voor recht, ook zonder voldoening uit de boedel, omdat zij de bestuurders van BCB aansprakelijk hebben gesteld voor de niet betaalde premies. Die procedure is geschorst in afwachting van de uitkomst van dit geschil over de werkingssfeer. Het hof oordeelt dat zowel de door BCB onderscheiden eerste en tweede bergingen als het wegslepen van foutparkeerders en in beslag genomen voertuigen onder de definitie vallen van wegvervoer en/of beroepsgoederenvervoer. De uitzondering op Verplichtstelling is verder niet van toepassing. Bovendien gaat ook geen van de uitzonderingsmogelijkheden op toepasselijkheid op. Het tussen partijen gesloten convenant zet ook niet de verplichte aansluiting van BCB bij PFV opzij. Het beroep van BCB op onaanvaardbaarheid van verplichte aansluiting, misbruik van bevoegdheid om BCB verplicht bij PFV aan te laten sluiten en rechtsverwerking, falen. De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen. De door BCB gestelde verwijten leiden er verder niet toe dat PFV schadevergoeding aan haar dient te betalen.  

  • Instantie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
  • Locatie: Leeuwarden
  • ECLI: ECLI:NL:GHARL:2021:4403
  • Roepnaam: Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg en Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen/Mr. G.J. de Bock q.q. en Bergings Centrale Bollenstreek B.V.
  • Zaaknummer: 200.249.374/01
  • Nummer: AR-2021-0573