Rechtspraak
Feiten
Werknemer is tot 1 november 2019 in dienst geweest bij werkgever. Hij heeft begin 2019 op initiatief van werkgever twee vrachtwagenrijbewijzen behaald. Bij de uitdiensttreding van werknemer heeft werkgever een bedrag van € 2.720 aan kosten voor die rijbewijzen in mindering gebracht op de overuren die nog aan werknemer uitbetaald moesten worden. In deze procedure vordert werknemer betaling van het verrekende bedrag.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat werkgever niet gerechtigd was het bedrag van € 2.720 in mindering te brengen op de nog te betalen overuren. In de door werkgever overgelegde arbeidsovereenkomst staat vermeld dat een werknemer bij uitdiensttreding binnen twee jaar na afloop van een cursus 75% van de kosten van die cursus aan de werkgever moet terugbetalen. Omdat werknemer binnen twee jaar na het behalen van de rijbewijzen uit dienst is gegaan, zou hij op grond van deze bepaling in beginsel 75% van de kosten van de rijbewijzen aan werkgever terug moeten betalen, aldus werkgever. Werknemer stelt zich echter op het standpunt dat hij nooit een schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft ontvangen en dat de handtekening onder de overgelegde overeenkomst niet van hem afkomstig is. Gelet hierop staat niet vast dat partijen vóór het volgen van de rijlessen een afspraak hebben gemaakt over het eventueel terugbetalen van de kosten daarvan. De vraag of partijen deze afspraak hebben gemaakt en dus of de handtekening onder de door werkgever overgelegde arbeidsovereenkomst wel van werknemer is, kan naar het oordeel van de kantonrechter echter in het midden blijven. Werkgever heeft namelijk alleen recht op terugbetaling van opleidingskosten die hij daadwerkelijk heeft gemaakt, en werkgever heeft niet aangetoond dat hij de rijlessen inderdaad heeft betaald. Werknemer heeft verschillende stukken overgelegd waaruit blijkt dat de rijschool geen betaling heeft ontvangen voor de rijlessen. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat werkgever de kosten van de rijbewijzen niet heeft betaald. Dit betekent dat werkgever die kosten ten onrechte in mindering heeft gebracht op de overuren die nog aan werknemer uitbetaald moesten worden. Werknemer vordert terugbetaling van een nettobedrag van € 2.720 maar de kantonrechter is van oordeel dat hij enkel recht heeft op een brutobedrag van € 2.720.