Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 29 april 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:4375
Feiten
Werkneemster is sinds 1 september 2005 werkzaam bij de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR). De EUR heeft op 15 december 2020 een verzoekschrift strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen bij de kantonrechter ingediend. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2021 ontbonden, onder toekenning aan werkneemster van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Volgens de kantonrechter was geen sprake van een opzegverbod, terwijl werkneemster uitdrukkelijk een beroep had gedaan op het opzegverbod tijdens ziekte. Werkneemster gaat tegen de beschikking van 5 maart 2021 hoger beroep instellen en vordert in dit kort geding om een voorziening te treffen, inhoudende dat de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring van de beschikking van 5 maart 2021 van de kantonrechter Rotterdam, met zaaknummer 8927760 VZ VERZ 20-20247, voor de duur van de hogerberoepprocedure zal worden geschorst. Voorts verzoekt werkneemster te bepalen bij voorlopige voorziening dat zij binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in staat gesteld wordt om haar werkzaamheden op de gebruikelijke wijze bij de EUR te hervatten.
Oordeel
De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord, is of (de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring uit) de beschikking van 5 maart 2021, op de voet van artikel 438 lid 2 Rv moet worden geschorst totdat in hoger beroep een eindbeschikking zal zijn gewezen. Het gaat er hierbij om of er omstandigheden zijn die meebrengen dat het belang van werkneemster bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de EUR bij de tenuitvoerlegging van de beschikking. In dit geval wegen de belangen van werkneemster volgens de kantonrechter niet zwaar genoeg om af te wijken van de hoofdregel dat deze beschikking direct ten uitvoer kan worden gelegd. Hierbij speelt de omstandigheid – zoals in artikel 7:683 lid 3 BW is bepaald – dat indien de rechter in hoger beroep oordeelt dat het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen, hij de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Wanneer het ontbindingsverzoek in eerste aanleg is toegewezen, dan eindigt daarmee (voor dat moment) de arbeidsovereenkomst. Dit komt de rechtszekerheid van zowel de werkgever als de werknemer ten goede. De kantonrechter is voorts van oordeel dat er geen sprake is van een kennelijke misslag in de beschikking van 5 maart 2021. De door werkneemster aangevoerde standpunten hebben betrekking op inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 5 maart 2021. Dat over de beoordeling in de beschikking ook anders zou kunnen worden gedacht, kan geen grond opleveren voor ingrijpen in de tenuitvoerlegging. Dat raakt aan een oordeel over de juistheid van de beslissing, waarvoor in deze kortgedingprocedure geen ruimte is. Daarover wordt in hoger beroep beslist. Dit betekent dat er geen gegronde redenen zijn om de beschikking van 5 maart 2021 van de kantonrechter te schorsen en er evenmin aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen, zoals door werkneemster gevorderd. De vordering van werkneemster wordt afgewezen.