Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 16 april 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:4740
Feiten
Werknemer is op 1 oktober 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één maand in dienst getreden bij The Art Hotel in de functie van nachtreceptionist. Aansluitend aan deze arbeidsovereenkomst is een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden overeengekomen, derhalve lopend tot 1 mei 2020. Op 1, 4, 5, 6, 7, 8 en 18 mei 2020 heeft werknemer voor The Art Hotel nog (nachtdiensten) gewerkt. Op 30 juni 2020 schrijft The Art Hotel per (aangetekende) brief aan werknemer: ‘(…) Bij deze delen wij u mede dat het met u aangegane tijdelijke dienstverband ingaande 01 Oktober 2019 t/m 31 juli 2020 per deze datum van rechtswege eindigt en niet zal worden verlengd (…).’ Werknemer vordert een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2020 op dezelfde voorwaarden is voortgezet voor de duur van zes maanden, omdat The Art Hotel niet (tijdig) schriftelijk heeft aangezegd. The Art Hotel stelt zich op het standpunt dat op 27 (of 30) maart 2020 werknemer mondeling een verlenging van drie maanden is aangeboden met ingang van 1 mei 2020. Op 29 april 2020 is een afschrift van de arbeidsovereenkomst conform de mondelinge overeenkomst aangeboden aan werknemer. Werknemer heeft ondanks meerdere verzoeken geweigerd deze te ondertekenen, aldus The Art Hotel. Werknemer betwist het gevoerde gesprek op 27 (of 30) maart 2020 en stelt dat hij pas tijdens zijn dienst van 6 mei 2020 (in de ochtend van 7 mei 2020) de brief gedateerd op 29 april 2020 kreeg overhandigd.
Oordeel
Indien juist is dat The Art Hotel voor 1 mei 2020 de arbeidsovereenkomst voor drie maanden aan werknemer heeft aangeboden en de inhoud daarvan ook met hem heeft besproken, kan van een stilzwijgende voortzetting geen sprake zijn. Dit kan slechts worden aangenomen indien geen van beide partijen zich over de verlenging van de arbeidsovereenkomst heeft uitgelaten. De stelling van The Art Hotel dat op 30 maart 2020 tijdens een gesprek met werknemer mondeling een verlenging van de arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden is overeengekomen, is eveneens uitdrukkelijk door werknemer betwist. De door The Art Hotel overgelegde WhatsApp-berichten bieden op zichzelf ook onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van The Art Hotel. Gelet op de betwisting van werknemer kan van de juistheid van de inhoud van de door The Art Hotel in het geding gebrachte verklaringen van onder meer de leidinggevende evenmin zonder meer worden uitgegaan. Deze schriftelijke verklaringen zijn immers niet gelijk te stellen met onder ede afgelegde getuigenverklaringen. Gelet op het hiervoor weergegeven uitgangspunt ligt de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van de arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden bij The Art Hotel. The Art Hotel heeft uitdrukkelijk bewijs aangeboden en zij wordt conform haar aanbod in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat de arbeidsovereenkomst die was aangegaan voor de duur van zes maanden en eindigde op 1 mei 2020, nadien is voortgezet voor de duur van drie maanden.
Oordeel
Indien juist is dat The Art Hotel voor 1 mei 2020 de arbeidsovereenkomst voor drie maanden aan werknemer heeft aangeboden en de inhoud daarvan ook met hem heeft besproken, kan van een stilzwijgende voortzetting geen sprake zijn. Dit kan slechts worden aangenomen indien geen van beide partijen zich over de verlenging van de arbeidsovereenkomst heeft uitgelaten. De stelling van The Art Hotel dat op 30 maart 2020 tijdens een gesprek met werknemer mondeling een verlenging van de arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden is overeengekomen, is eveneens uitdrukkelijk door werknemer betwist. De door The Art Hotel overgelegde WhatsApp-berichten bieden op zichzelf ook onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van The Art Hotel. Gelet op de betwisting van werknemer kan van de juistheid van de inhoud van de door The Art Hotel in het geding gebrachte verklaringen van onder meer de leidinggevende evenmin zonder meer worden uitgegaan. Deze schriftelijke verklaringen zijn immers niet gelijk te stellen met onder ede afgelegde getuigenverklaringen. Gelet op het hiervoor weergegeven uitgangspunt ligt de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van de arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden bij The Art Hotel. The Art Hotel heeft uitdrukkelijk bewijs aangeboden en zij wordt conform haar aanbod in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat de arbeidsovereenkomst die was aangegaan voor de duur van zes maanden en eindigde op 1 mei 2020, nadien is voortgezet voor de duur van drie maanden.