Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 1 juni 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:5313
Feiten
Het gaat in deze zaak om de vraag of Almere Distributie en Opslag B.V. (hierna: Ado) gedurende de periode oktober 2012 tot en met januari 2014 onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit viel, zodat zij over die periode pensioenpremies voor haar werknemers aan de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg en de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: Bpf) moet betalen. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 6 februari 2018 beslist dat daarvan sprake is als in de onderneming van Ado, gemeten naar de loonsom, voor meer dan 50% werkzaamheden worden uitgeoefend die behoren tot het wegvervoer (het hoofdzakelijkheidscriterium). Bpf heeft ter voldoening aan haar stelplicht verwezen naar het uittreksel van de Kamer van Koophandel, de website, de aanwezigheid van zeventien vervoermiddelen en de vergunningen wegvervoer. Ado heeft verweer gevoerd door overlegging van een overzicht bij memorie van grieven, waarin de uren die volgens haar zijn besteed aan transport (wegvervoer) en die aan op- en overslag (overige activiteiten) over de jaren 2012 en 2013 zijn uitgesplitst, met als conclusie dat niet aan het hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan. Bpf heeft de juistheid van dit overzicht betwist en daarom heeft het hof voorlichting door een deskundige nodig geoordeeld.
Oordeel
Het hof legt de omstandigheid dat de dagstaten en urenlijsten niet ter verificatie aan de deskundige zijn overgelegd uit in het nadeel van Ado. Ado geeft geen enkele verklaring waarom deze stukken niet meer aanwezig zijn, ondanks haar uitdrukkelijke mededeling bij memorie van grieven (in 2015) dat zij bereid was die in de procedure over te leggen. Als die stukken er toen wel waren, wat op basis van haar stelling aangenomen moet worden, is het niet te begrijpen dat Ado deze nadien niet meer heeft bewaard. Dat geldt temeer, omdat er ook al voor die tijd discussie was met Bpf over de vraag of haar activiteiten onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit vallen: daarover zijn ook in eerdere procedures al uitspraken gedaan. In die omstandigheden had van Ado verwacht mogen worden dat zij deze bewijsstukken zou bewaren en ten minste enige uitleg geven waarom deze bewijsstukken niet meer voorhanden zijn. Dit roept temeer vraagtekens op, nu Ado wel dagstaten overlegt uit 1998, waaruit lijkt te volgen dat zij dagstaten wél bewaart. Dit brengt mee dat het hof oordeelt dat Ado haar verweer, voor zover dat is gebaseerd op de urenoverzichten, onvoldoende heeft onderbouwd. Op basis van de stellingen van Ado zelf kan geconcludeerd worden dat alle personeelsleden zich bezighielden met zowel transportwerkzaamheden als met werkzaamheden in de op-/overslag. Het ondersteunende en administratieve personeel is ondergebracht in een aparte onderneming. Uit de eigen opgave van Ado aan de deskundige blijkt dat Ado beschikte over twaalf vrachtauto’s, twee busjes en drie koeriersauto’s. Ado had deze vervoermiddelen gehuurd en beschikte over 25 NIWO-vergunningen in 2012 en achttien in 2013 en 2014. Op de website worden de op- en overslagactiviteit benoemd, maar Ado afficheert zich, ook los van de op- en overslag, uitdrukkelijk als vervoerder, te weten als pakketdienst en koeriersdienst, en als verzorger van speciale transporten (“Speciale transporten: alles kan”). Het hof oordeelt dat Ado tegenover deze feiten onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar bedrijf en haar bedrijfsactiviteiten. De onderverdeling tussen transport- en op-/overslagwerkzaamheden is in deze procedure niet komen vast te staan, zodat de stelling van Ado dat de transportactiviteiten nooit de overhand hebben gekregen boven de magazijn/opslagwerkzaamheden niet op juistheid te toetsen is. Ado maakt verder niet duidelijk hoe zij de door haar op de website geafficheerde vervoersdiensten in de praktijk vormgeeft. Ook geeft Ado geen verklaring waarom zij in de betreffende periode op een betrekkelijk gering personeelsbestand een omvangrijk wagenpark had. Als haar personeelsleden zich inderdaad in overwegende mate bezighouden met op-/overslagactiviteiten, dan zou dat inhouden dat de vervoersmiddelen voor een groot deel stil zouden staan, hetgeen niet aannemelijk is. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.