Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 3 juni 2021
ECLI:EU:C:2021:438
Feiten
Op 1 december 2012 is EB door de universiteit voor drie jaar aangesteld als onderzoeker, op basis van een krachtens artikel 24 lid 3 onder a Wet nr. 240/2010 gesloten overeenkomst (hierna: ‘A-overeenkomst’). Een dergelijke overeenkomst kan maar één keer worden verlengd, met maximaal twee jaar, hetgeen bij EB is gebeurd. Volgens EB heeft hij recht op een vaste aanstelling. Hij verwijst in dit verband met name naar het arrest Martínez Andrés en Castrejana López (HvJ EU 14 september 2016, gevoegde zaken C-184/15 en C-197/15, ECLI:EU:C:2016:680), waarin het Hof heeft vastgesteld dat het verbod om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd alleen in overeenstemming is met de raamovereenkomst indien een andere doeltreffende maatregel kan worden genomen om misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd afdoende te bestraffen.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Toetsing aan objectieve redenen niet vereist indien andere maatregelen zijn getroffen
De verwijzende rechter wenst te vernemen of clausule 5 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan voor de aanwerving van universitaire onderzoekers arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden gesloten voor de duur van drie jaar, met één mogelijkheid tot verlenging met maximaal twee jaar, waarbij, ten eerste, het sluiten van dergelijke overeenkomsten afhankelijk is gesteld van de beschikbaarheid van middelen ‘voor het programmeren van activiteiten op het gebied van onderzoek, onderwijs, aanvullend onderwijs en dienstverlening aan studenten’, en, ten tweede, voor de verlenging van die overeenkomsten als voorwaarde is gesteld dat ‘de verrichte onderwijs- en onderzoeksactiviteiten positief zijn beoordeeld’, zonder evenwel objectieve en transparante criteria vast te leggen aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de sluiting en de verlenging van dergelijke overeenkomsten werkelijk beantwoorden aan een bestaande behoefte, of daarmee de nagestreefde doelstelling kan worden behaald en of zij daartoe noodzakelijk zijn.
In casu moet worden vastgesteld dat artikel 24 lid 3 onder a Wet nr. 240/2010 een beperking stelt niet alleen aan de maximumduur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van universitaire onderzoekers van de categorie waartoe ook EB behoort, maar ook aan het aantal mogelijke verlengingen van deze overeenkomst. Wat meer bepaald de A-overeenkomst betreft, stelt deze wet de maximumduur van de overeenkomst vast op drie jaar en staat zij slechts één verlenging toe, die is beperkt tot twee jaar.
Artikel 24 lid 3 Wet nr. 240/2010 bevat dus twee van de in clausule 5, punt 1 van de raamovereenkomst bedoelde maatregelen, te weten beperkingen van de maximale totale duur van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en van het aantal mogelijke verlengingen. De verwijzende rechter heeft niets aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze maatregelen niet volstaan om, wat A-overeenkomsten betreft, doeltreffend te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
Het klopt dat de verwijzende rechter onder verwijzing naar de arresten Martínez Andrés en Castrejana López en Sciotto (HvJ EU 25 oktober 2018, zaak C-331/17, ECLI:EU:C:2018:859), opmerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling geen objectieve en transparante criteria bevat aan de hand waarvan kan worden bepaald of de sluiting en de verlenging van A-overeenkomsten, ten eerste, worden gerechtvaardigd door reële tijdelijke behoeften, en, ten tweede, geschikt zijn om in die behoeften te voorzien, en of zij op evenredige wijze worden uitgevoerd.
In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat, anders dan in de omstandigheden van de zaken die hebben geleid tot de arresten Martínez Andrés en Castrejana López en Sciotto, de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling maatregelen bevat die overeenkomen met die van clausule 5, punt 1 onder b en c van de raamovereenkomst. In die arresten was het probleem dat moest worden vastgesteld of de vernieuwing van de in die zaken aan de orde zijnde overeenkomsten voor bepaalde tijd om objectieve redenen gerechtvaardigd was in de zin van clausule 5, punt 1 onder a van de raamovereenkomst – waaronder de noodzaak om aan reële en tijdelijke behoeften te beantwoorden – immers enkel aan de orde omdat er geen tot de twee in punt 59 van het onderhavige arrest genoemde categorieën behorende maatregelen bestonden, welke maatregelen daarentegen wel zijn opgenomen in artikel 24 lid 3 onder a Wet nr. 240/2010. Het door de verwijzende rechter aangevoerde feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling geen preciseringen bevat over de werkelijke en voorlopige aard van de behoeften waaraan het gebruik van overeenkomsten voor bepaalde tijd moet voldoen, is derhalve irrelevant.
In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat in voornoemde arresten de betrokken werknemers in volledige onzekerheid verkeerden over de duur van hun arbeidsverhouding. In casu worden de personen die een A-overeenkomst sluiten, zoals die tussen EB en de universiteit, daarentegen vóór de ondertekening van de overeenkomst ervan op de hoogte gesteld dat de arbeidsverhouding niet langer dan vijf jaar kan duren. Zoals naar voren komt uit de tweede alinea van de preambule van de raamovereenkomst, wordt het genot van vaste dienstbetrekkingen ongetwijfeld opgevat als een essentieel onderdeel van de werknemersbescherming, terwijl arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd slechts in bepaalde omstandigheden in de behoeften van zowel de werkgever als de werknemer kunnen voorzien (HvJ EU 11 februari 2021, zaak C-760/18, ECLI:EU:C:2021:113 (M.V. e.a.) (Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector), punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De beëindiging van de werking van een in de vorm van een A-overeenkomst aangegane overeenkomst als onderzoeker voor bepaalde tijd, zoals die van EB, leidt niet noodzakelijkerwijs tot instabiliteit van de dienstbetrekking, aangezien deze de betrokken werknemer in staat stelt om de nodige kwalificaties te verwerven om een B-overeenkomst te verkrijgen, die vervolgens kan leiden tot een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd als universitair docent.
In de derde plaats moet worden vastgesteld dat het feit dat de universiteiten permanent behoefte hebben aan universitaire onderzoekers, zoals blijkt uit de betrokken nationale regeling, niet betekent dat niet aan deze behoefte kan worden voldaan door gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. De functie van onderzoeker lijkt immers te worden beschouwd als de eerste fase in de loopbaan van een wetenschapper, waarbij de onderzoeker hoe dan ook voorbestemd is om door te stromen naar een andere functie, namelijk een docerende functie, eerst als universitair (hoofd)docent en vervolgens als hoogleraar. Wat voorts het feit betreft dat de verlenging van A-overeenkomsten met twee jaar afhankelijk is gesteld van een positieve beoordeling van de verrichte onderwijs- en onderzoeksactiviteiten, kunnen de ‘bijzondere behoeften’ van de betrokken sector, op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, redelijkerwijs bestaan in de noodzaak om de ontwikkeling van de loopbaan van verschillende onderzoekers te waarborgen op basis van hun respectieve verdiensten, die derhalve moeten worden beoordeeld. Een bepaling die een universiteit verplicht om met een onderzoeker een overeenkomst voor onbepaalde tijd te sluiten, ongeacht de beoordeling van de resultaten van zijn wetenschappelijke activiteiten, zou dus niet aan bovengenoemde vereisten voldoen.
Conclusie
Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de derde vraag worden geantwoord dat clausule 5 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan voor de aanwerving van universitaire onderzoekers arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden gesloten voor de duur van drie jaar, met één mogelijkheid tot verlenging met maximaal twee jaar, waarbij, ten eerste, het sluiten van dergelijke overeenkomsten afhankelijk is gesteld van de beschikbaarheid van middelen ‘voor het programmeren van activiteiten op het gebied van onderzoek, onderwijs, aanvullend onderwijs en dienstverlening aan studenten’, en, ten tweede, voor de verlenging van die overeenkomsten als voorwaarde is gesteld dat ‘de verrichte onderwijs- en onderzoeksactiviteiten positief zijn beoordeeld’. Het is niet noodzakelijk dat in die regeling objectieve en transparante criteria worden vastgelegd aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de sluiting en de verlenging van dergelijke overeenkomsten werkelijk beantwoorden aan een bestaande behoefte, of daarmee de nagestreefde doelstelling kan worden behaald en of zij daartoe noodzakelijk zijn.