Rechtspraak
Rechtbank Gelderland zittingsplaats Arnhem, 13 november 2020Feiten
Werkneemster is op 1 mei 2019 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van een arbodienstverlener in de functie van AIOS-bedrijfsarts (AIOS: arts assistent in opleiding tot specialist). Werkneemster heeft zich op 6 juli 2020 ziek gemeld. Op 23 juli 2020 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat sprake was van een arbeidsconflict. Hij heeft mediation geadviseerd. Op 25 augustus 2020 heeft een eerste mediationgesprek plaatsgevonden. Op 28 augustus 2020 heeft de bedrijfsarts zich teruggetrokken wegens een mogelijk belemmerende werking in de begeleiding door zijn positie als directeur van een bedrijf dat in de nabije toekomst zou fuseren met werkgeefster. Op 31 augustus 2020 heeft werkneemster laten weten dat zij zich niet in staat achtte tot het voeren van een tweede mediationgesprek en dat zij de gesprekken zal staken, totdat zij hiertoe daadwerkelijk in staat is. Op 1 september 2020 heeft werkgeefster de bedrijfsarts gevraagd of werkneemster wel tot mediation in staat was, waarop deze per e-mail antwoordde: ‘Klopt’. Werkgeefster heeft de loondoorbetaling per 2 september 2020 stopgezet, omdat werkneemster volgens haar de re-integratieverplichtingen schendt door het mediationgesprek niet door te laten gaan. Op 17 september 2020 heeft werkgeefster werkneemster bericht dat zij, nu werkneemster niet akkoord gaat met de probleemanalyse, het loon voor zover vereist nogmaals stopzet. In een door beide partijen aangevraagd deskundigenoordeel heeft het UWV geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van werkneemster onvoldoende zijn. Werkneemster stelt thans in kort geding een loonvordering in.
Oordeel
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat werkneemster medisch in staat was om deel te nemen aan het op 2 september 2020 geplande mediationgesprek. Het advies van de bedrijfsarts vermeldt daar niets over en de enkele e-mail met ‘Klopt’ biedt onvoldoende grond voor de conclusie dat werkneemster zonder deugdelijke grond weigerde aan het gesprek deel te nemen. Het deskundigenoordeel maakt dat niet anders, nu de verzekeringsarts daarover uitdrukkelijk geen medisch oordeel heeft geveld. Nu de bedrijfsarts bovendien adviseerde om de begeleiding door een andere bedrijfsarts voort te laten zetten, had het op de weg van werkgeefster gelegen om, zoals werkneemster ook had verzocht, door een andere bedrijfsarts te laten beoordelen of zij al dan niet in staat was om het tweede mediationgesprek te voeren. Werkgeefster heeft dat ten onrechte afgehouden. De loonstop is dan ook ten onrechte opgelegd, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat op 2 september 2020 sprake was van het zonder deugdelijke grond weigeren mee te werken aan een redelijk voorschrift als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 onder d BW. Werkgeefster wordt veroordeeld het achterstallige salaris te betalen met de wettelijke verhoging die wordt gematigd tot 20% en de wettelijke rente, evenals de kosten van de procedure.