Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21 mei 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:5081
Werkneemster is na einde arbeidsovereenkomst als zzp’er in dezelfde functie bij werkgever in dienst getreden. Werkgever is niet verschenen. Vordering achterstallig loon, transitievergoeding en billijke vergoeding toegewezen.

Feiten

Werkneemster is op 1 mei 2019 in dienst getreden bij werkgeefster. Werkneemster vervult sinds 1 juli 2020 de functie van teamleider afdeling huishouding. Op 15 december 2020 hebben partijen een overeenkomst van overdracht getekend voor deze functie. In een brief van 18 januari 2021 van werkgeefster aan werkneemster staat: “We hebben besloten om per vandaag 18 januari 2021 je niet meer in te zetten voor werk bij ons bedrijf.” Werkneemster verzoekt te verklaren voor recht dat sprake is (was) van een tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst en  werkgeefster te veroordelen tot betaling van onder meer achterstallig loon en de ingehouden pensioenpremies, een billijke vergoeding van € 6.000 en een transitievergoeding.

Oordeel

De kantonrechter stelt allereerst vast dat werkgeefster niet is verschenen. Met betrekking tot de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst overweegt de kantonrechter dat de overeenkomst van opdracht is getekend voor dezelfde functie en onweersproken is dat de arbeidsverhouding tussen partijen is veranderd. Werkneemster kan zich dus met succes (blijven) beroepen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen haar en werkgeefster. De later getekende overeenkomst van opdracht heeft daar geen verandering in gebracht. Werkneemster heeft ten aanzien van de omvang van de arbeidsovereenkomst een langere, meer representatieve referteperiode voorgesteld van juni 2020 tot en met december 2020. In deze periode heeft werkneemster 71,35 uur per maand gewerkt. Inclusief vakantie- en seniorenverlofuren komt dat uit op een omvang van 79,52 uur per maand. Dit heeft werkgeefster niet weersproken, zodat dit is komen vast te staan. De gevraagde verklaring voor recht wordt gelet op het voorgaande toegewezen. Ook het achterstallig salaris wordt als niet weersproken toegewezen. Ten aanzien van de vordering tot betaling van de ingehouden pensioenpremies overweegt de kantonrechter dat werkneemster met werkgeefster is overeengekomen dat werkneemster deelneemt aan de pensioenregeling bij PFZW. Uit de overgelegde salarisspecificaties blijkt ook dat pensioenpremies op het loon van werkneemster zijn ingehouden. Werkneemster stelt echter dat werkgeefster niet is aangesloten bij PFZW en geen pensioenpremies heeft afgedragen. Ten aanzien van de billijke vergoeding weegt de kantonrechter het volgende mee. Enerzijds is van belang dat werkgeefster in strijd met de geldende regels heeft opgezegd. Tevens is ernstig verwijtbaar dat werkgeefster niet is aangemeld bij PFZW en voor werkneemster geen pensioen heeft afgedragen, maar wel pensioenpremies heeft ingehouden. Duidelijk is dat werkneemster te maken heeft met inkomensverlies, maar dat wordt, in ieder geval voor een deel, ondervangen met de gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding. Werkneemster heeft verklaard een andere baan te hebben, weliswaar voor een beduidend aantal uren minder maar wel met zicht op uitbreiding. Gelet hierop komt het de kantonrechter redelijk voor dat aan werkneemster een billijke vergoeding van € 1.500 bruto zal worden toegekend.