Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Profix Benelux B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 14 juli 2021
ECLI:NL:RBNHO:2021:5866
Geen sprake van arbeidsovereenkomst. Gezagsverhouding komt niet vast te staan. Tevens enkele contra-indicaties voor arbeidsovereenkomst, zoals het ontvangen van een WW-uitkering, eerdere aanvraag voor proefplaatsing en beroep op arbeidsovereenkomst pas ruim vijf jaar na dato.

Feiten

Op 16 januari 2015 is X door de directeur van Profix Benelux B.V. (hierna: Profix) gevraagd om bij Profix te komen werken, omdat een werknemer wegens ziekte was uitgevallen. Sinds 16 februari 2015 heeft X werkzaamheden voor Profix verricht. Op 1 april hebben partijen een schriftelijke arbeidsovereenkomst getekend. Daarin is vermeld dat Profix X in dienst neemt als productiemedewerker met ingang van 1 april 2016 voor onbepaalde tijd en voor 40 uur per week, tegen een brutoloon van € 2.686,67. Op 13 juli 2016 en 27 augustus 2016 heeft X een overzicht aan Profix gestuurd van de door hem in de periode van 16 februari 2015 tot en met 31 maart 2016 gewerkte uren. Op 19 februari heeft X nogmaals aan Profix per mail verzocht de gewerkte uren uit te keren. Op 5 oktober 2020 heeft Profix een ontslagvergunning aangevraagd wegens bedrijfseconomische redenen bij het UWV voor onder meer X. Deze vergunning is door het UWV geweigerd, omdat Profix het personeel niet voldoende had geïnformeerd over de voorgenomen ontslagmaatregel of het voornemen om een aantal arbeidsplaatsen te laten vervallen. X verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat tussen partijen een (mondelinge) arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, met ingang van 16 februari 2015. Hij vordert tevens betaling van achterstallig loon. Profix stelt dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar van het verrichten van werkzaamheden op projectbasis.

Oordeel

De kantonrechter moet beoordelen of de samenwerking tussen partijen kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Het staat vast dat X arbeid heeft verricht voor Profix in de periode van 16 februari 2015 tot en met 31 maart 2016. Het staat ook vast dat X voor zijn werkzaamheden (deels) is betaald. Partijen zijn het erover eens dat Profix (ten minste) drie keer een bedrag aan X heeft overgemaakt (onder vermelding van ‘voorschot’). De kantonrechter kan echter niet vaststellen dat voldaan is aan het gezagscriterium. X stelt daarover niets en uit het dossier kan niet worden afgeleid dat sprake is van een gezagsverhouding. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk wat partijen hebben afgesproken over vakantiedagen, het opnemen van vrije dagen en welke regels gelden bij ziekte. Verder is gesteld noch gebleken dat Profix een loonheffing of sociale premies voor X heeft afgedragen en zijn geen maandelijkse loonstroken opgemaakt. Tevens zijn er enkele contra-indicaties voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. De eerste is dat X een WW-uitkering heeft ontvangen terwijl hij de werkzaamheden voor Profix verrichtte. De tweede is dat X een onbetaalde proefplaatsing heeft aangevraagd bij het UWV en vervolgens op basis van die proefplaatsing twee maanden bij Profix heeft gewerkt, zonder aan het UWV te melden dat hij al werkzaamheden voor Profix verrichtte. Een van de voorwaarden voor proefplaatsing is immers dat de werknemer niet eerder bij dezelfde werkgever heeft gewerkt. Verder weegt de kantonrechter mee dat X zich pas ruim vijf jaar na dato op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd per 16 februari 2015. Ter zitting heeft X gezegd dat hij zijn vordering heeft ingesteld, omdat hij in 2020 door Profix werd ontslagen, maar uit het dossier komt het beeld naar voren dat X tot die tijd instemde met de gang van zaken. Kortom, X heeft te weinig gesteld om aan te nemen dat sinds 16 februari 2015 sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Aan het voorafgaande doet niet af dat X op zich wel recht heeft op betaling van de door hem verrichte werkzaamheden. Aangezien X in die periode een WW-uitkering heeft ontvangen, moet deze in mindering worden gebracht op de beloning. X zegt niet welk bedrag hij precies heeft ontvangen, hetgeen betekent dat de kantonrechter niet kan vaststellen op welk bedrag X in feite nog recht heeft. De kantonrechter zal zijn loonvordering daarom, als onvoldoende concreet en onderbouwd, afwijzen. X heeft nog wel recht op een bedrag van € 300 aan reiskosten voor de proefperiode.