Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 7 juli 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:7496
Loonvordering zeevarende toegewezen na conservatoir beslag op schip. Proceskostenveroordeling werkgever voor griffierecht en beslagkosten.

Feiten

Werknemer is op 21 november 2020 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden in dienst getreden bij werkgever in de functie van zeevarende (engineer). Op de arbeidsovereenkomst is de cao van de zeevarendenvakbond Nautilus International van toepassing. Het schip is omstreeks 18 maart 2021 in Nederland gearriveerd in Hansweert. Sindsdien ligt het daar stil. Werknemer heeft tot voor kort aan boord gezeten zonder uitbetaling van loon. Werkgever heeft nagelaten om het volledige loon aan werknemer uit te betalen waardoor werknemer conservatoir beslag heeft laten leggen op het schip zodat hij zijn loonvordering kan verhalen. Sinds 1 juli 2021 heeft werknemer een nieuwe baan waardoor de arbeidsovereenkomst per 30 juni 2021 in onderling overleg tussen partijen is beëindigd. Werknemer verzoekt werkgever onder meer te veroordelen tot betaling van € 11.749,00 aan achterstallig loon tot en met 30 juni 2021.

Oordeel

Werkgever erkent dat hij enige tijd geen loon heeft uitbetaald. De vordering tot betaling van € 11.749,00 aan achterstallig loon tot en met juni 2021 zal dan ook worden toegewezen. Uit het voorgaande volgt dat werkgever het (volledige) loon niet tijdig aan werknemer heeft betaald. Derhalve wijst de kantonrechter de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het loon tot en met mei 2021 toe. Gelet op de omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW toe te wijzen tot 30%. Werkgever wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van werknemer begroot op € 1.096,42 (bestaande uit € 507,00 griffierecht en € 589,42 aan beslagkosten) en € 7.260,00 aan werkelijke gemaakte proceskosten.