Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting GGZ Noord-Holland-Noord
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 22 juli 2021
ECLI:NL:RBNHO:2021:6169
Terecht ontslag op staande voet van psychiatrisch verpleegkundige die een seksuele relatie aanging met een (ex-)cliënt tijdens de volgens de gedragscode toepasselijke afkoelperiode. Betaling van transitievergoeding en billijke vergoeding afgewezen.

Feiten

Werkneemster is op 1 juli 2001 in dienst getreden bij Stichting GGZ Noord-Holland Noord (hierna: GGZ) te Heiloo, een forensische kliniek voor psychiatrische patiënten. Op 11 februari 2021 heeft GGZ werkneemster op non-actief gesteld, omdat zij een melding heeft ontvangen dat werkneemster een persoonlijke relatie met een oud-cliënt van GGZ (hierna: de cliënt) is aangegaan. Op 12 februari 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen GGZ en werkneemster en is een onderzoek door de externe commissie gestart. Op 18 maart 2021 kreeg GGZ het definitieve rapport. Op 23 maart 2021 heeft GGZ werkneemster op staande voet ontslagen. Dit ontslag is aan werkneemster bevestigd in de brief van 24 maart 2021. In deze procedure verzoekt werkneemster een verklaring voor recht dat het gegeven ontslag op staande voet in strijd is met artikel 7:669 BW, alsmede betaling van een transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding.

Oordeel

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven. GGZ is op 11 februari 2021 bekend geworden met de persoonlijke relatie tussen werkneemster en een cliënt. Zij heeft werkneemster meteen met ingang van die dag op non-actief gesteld voor de duur van het onderzoek gedurende drie weken. Ook is er meteen een extern onderzoek gestart. GGZ is voortvarend te werk gegaan en op 18 maart 2021 heeft GGZ het eindrapport van de onderzoekscommissie ontvangen. Meteen de dag daarna (op vrijdag 19 maart 2021) heeft GGZ aan werkneemster gemaild dat ze het rapport heeft ontvangen en haar uitgenodigd voor een gesprek op dinsdag 23 maart 2021 (na het weekend). Toen is aan werkneemster meegedeeld dat ze naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek op staande voet ontslagen is. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag daarmee onverwijld is gegeven. Het ontslag is onverwijld gegeven. Voorts staat vast dat werkneemster op 6 januari 2019 eenmalig seksueel contact met de cliënt heeft gehad en dat zij in de periode van 15 februari 2020 tot september 2020 een seksuele relatie met de cliënt heeft gehad. Verder staat als niet weersproken vast dat de behandelrelatie tussen werkneemster en de cliënt op 27 februari 2018 is geëindigd. Op basis van deze gedragsregels had werkneemster een afkoelperiode van twee jaar in acht moeten nemen na de beëindiging van de behandelrelatie (per 27 februari 2018). Het staat ook vast dat werkneemster bekend is met deze gedragsregels. Verder had werkneemster de overschrijding van haar professionele grenzen intern moeten melden of om hulp moeten vragen, maar dat heeft ze niet gedaan. De kantonrechter is het met GGZ eens dat het seksuele contact en de seksuele relatie met de cliënt tijdens de afkoelperiode een ernstige schending van de gedragsregels is. Deze schending levert op zichzelf al een dringende reden op, die ontslag op staande voet rechtvaardigt. De kantonrechter acht de financiële en persoonlijke omstandigheden van werkneemster onvoldoende zwaarwegend tegenover de aard en de ernst van de dringende reden. Die omstandigheden staan daarom niet in de weg aan een ontslag op staande voet. Het ontslag op staande voet is derhalve rechtsgeldig gegeven en de verzochte verklaring voor recht wordt daarom afgewezen. Dit betekent dat geen grond bestaat om aan werkneemster een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen. De kantonrechter zal het verzoek van werkneemster ook in zoverre afwijzen. Het verzoek tot betaling van een transitievergoeding wordt afgewezen omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster. De kantonrechter ziet in dit geval geen aanleiding om toch betaling van de transitievergoeding toe te wijzen, en maakt van het ‘luizengaatje’ geen gebruik.