Rechtspraak
Feiten
Werknemer X heeft op 18 oktober 2019 een detacheringsovereenkomst Fase A gesloten met Y met betrekking tot de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 januari 2021. X is uit hoofde van deze overeenkomst per 1 april 2020 te werk gesteld bij Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (hierna: Baanbrekers) te Waalwijk. Tussen partijen is discussie ontstaan over de hoogte van de beloning van X (in verhouding tot andere gedetacheerden bij Baanbrekers). Op verzoek van X hebben partijen op 10 augustus 2020 een overeenkomst van opdracht gesloten, ingaande per 1 september 2020. Het overeengekomen uurloon bedroeg € 40 (exclusief btw) per gewerkt uur en de arbeidsomvang 36 uur per week. X bleef op basis van deze overeenkomst werkzaam bij Baanbrekers in dezelfde functie van medewerker bijzondere bijstand. De overeenkomst is verlengd tot 1 januari 2021. Mevrouw B, teamleider inkomensondersteuning bij Baanbrekers, heeft de opdracht bij e-mail van 19 oktober 2020 met onmiddellijke ingang beëindigd. Ter beoordeling staat de vraag of ten tijde van de opzegging van 19 oktober 2020 door Y sprake was van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW (zoals primair door X is aangevoerd) dan wel dat (nog steeds) sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 lid 1 BW (op welk standpunt Y zich heeft gesteld).
Oordeel
Vaststaat dat partijen op 18 oktober 2019 een arbeidsovereenkomst (detacheringsovereenkomst) hebben gesloten met ingang van 1 februari 2020 en dat die overeenkomst tot en met 31 januari 2021 zou duren. Gesteld noch gebleken is dat partijen op enig moment tussentijds een schriftelijke beëindigingsovereenkomst hebben gesloten. Weliswaar hebben partijen op (uitdrukkelijk) verzoek van X op 10 augustus 2020 bewust een overeenkomst van opdracht gesloten met ingang van 1 september 2020, omdat X een hoger salaris wilde verdienen, en is in die overeenkomst bepaald dat partijen niet beogen om een arbeidsovereenkomst aan te gaan in de zin van artikel 7:610 BW, maar gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 2020 is die bepaling en de bedoeling van partijen voor de kwalificatie van de overeenkomst niet van belang. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat in de onderhavige procedure niet X, maar Y zich beroept op het bestaan van een arbeidsovereenkomst (tot de opzegging daarvan door Y). De kantonrechter stelt vast dat de door X te verrichten werkzaamheden en ook de arbeidsomvang per 1 september 2020, na aanvang van de overeenkomst van opdracht, op geen enkele wijze is veranderd. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat sprake was van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van de werkzaamheden door X. Verder heeft X zelf gesteld dat tussen partijen een gezagsverhouding bestond, omdat de arbeidsduur door Y werd bepaald, Y bevoegd was om instructies te geven omtrent de uitvoering van de werkzaamheden door X, hij zich voor het opnemen van verlof tot Y diende te wenden, Y aan hem heeft verzocht om overuren te werken en Y ook materialen aan hem ter beschikking heeft gesteld voor het verrichten van de werkzaamheden. Y heeft dit tijdens de zitting ook erkend. Het enige verschil in de rechtsverhouding tussen partijen per 1 september 2020 is dat X op een andere wijze werd beloond. Nu echter “wezen voor schijn” gaat en de bedoeling van partijen geen rol speelt bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, is deze enkele omstandigheid (volstrekt) onvoldoende voor het aannemen van een overeenkomst van opdracht.