Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 1 maart 2017 in dienst getreden bij Landgoed Hoenderdaell B.V. (hierna: Hoenderdaell) in de functie van chef-kok. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is met ingang van 28 juli 2020 beëindigd. Werknemer verzoekt de kantonrechter Hoenderdaell te veroordelen tot uitbetaling van € 1.323,48 bruto voor 72 opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren en € 1.298,66 voor 70,65 opgebouwde maar niet genoten overwerkuren.
Oordeel
Vakantie-uren
Partijen zijn het erover eens dat werknemer in 2020 (afgerond) 116 vakantie-uren heeft opgebouwd en (afgerond) 160 vakantie-uren heeft opgenomen. Zij verschillen van mening over het saldo vakantie-uren over 2019. Volgens Hoenderdaell resteren geen vakantie-uren meer uit 2019. De kantonrechter stelt voorop dat de werkgever een administratie moet bijhouden van de door de werknemer genoten en openstaande vakantiedagen. Hoenderdaell heeft geen gegevens uit haar administratie overgelegd waaruit volgt hoeveel vakantie-uren werknemer over 2019 tegoed of opgenomen heeft. Daar komt bij dat Hoenderdaell in haar e-mail van 9 januari 2020 aan werknemer schrijft dat ze de vakantie-uren heeft berekend en dat die van werknemer 115,43 uren of 14,4 dagen bedragen. Deze e-mail ondersteunt de stelling van werknemer dat hij begin 2020 voor 2019 115,43 vakantie-uren tegoed had. Dat per vergissing ‘vakantie-uren’ in plaats van ‘overwerkuren’ in de e-mail zou staan, zoals Hoenderdaell aanvoert, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Hoenderdaell heeft haar standpunt dat de 115,43 uren overuren zijn, onvoldoende onderbouwd. Vast staat dat Hoenderdaell bij de eindafrekening geen vakantie-uren aan werknemer heeft uitbetaald. Gelet op het voorgaande heeft werknemer aanspraak op uitbetaling van (115,43 -/- 43,33 =) afgerond 72 vakantie-uren. De vordering van € 1.323,48 bruto wordt daarom toegewezen.
Overwerkuren
Werknemer stelt dat hij tot 15 maart 2020 70,65 overwerkuren heeft opgebouwd. Dit onderbouwt hij met een overgelegde afdruk van het administratiesysteem. Hoenderdaell voert aan dat er verder geen overwerkuren meer openstaan, omdat werknemer de rest van zijn overwerkuren in vrije tijd heeft opgenomen. Hoenderdaell stelt dat zij aan het begin van de coronalockdownperiode met werknemer in gesprek is gegaan en dat toen mondeling met hem is afgesproken dat hij in deze periode zijn overuren zou opnemen. Werknemer heeft daar zelf voor gekozen, in tegenstelling tot de meeste van zijn directe collega’s die hebben doorgewerkt, aldus Hoenderdaell. Dat werknemer ervoor heeft gekozen zijn overuren in de lockdownperiode op te nemen blijkt echter nergens uit. Daarbij heeft werknemer ter zitting aangevoerd dat hij tijdens de lockdownperiode ook heeft gewerkt; hij heeft thuis calculaties gemaakt, take away opgezet, overleg gevoerd over sociale media en vanaf Pasen in het restaurant gewerkt voor take away. Vast staat weliswaar dat werknemer in de lockdownperiode minder heeft gewerkt dan de overeengekomen 40 uur per week, maar daaruit blijkt niet dat partijen zijn overeengekomen dat werknemer zijn overuren in die periode zou opnemen. Dit betekent dat de door Hoenderdaell gestelde afspraak met werknemer niet is komen vast te staan. De conclusie is dat werknemer aanspraak kan maken op uitbetaling van zijn tot 15 maart 2020 opgebouwde overuren. Hoenderdaell heeft niet gemotiveerd weersproken dat dit er 70,65 zijn. Ook de vordering van € 1.298,66 bruto wordt toegewezen.