Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 31 augustus 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:8343
Feiten
Marposs is een vennootschap naar Duits recht die wereldwijd precisiemeetapparatuur aan de industrie levert. In 1981 is de Nederlandse dochtervennootschap Marposs B.V. opgericht. Op 27 maart 1981 heeft Marposs met werknemer een voorovereenkomst gesloten, met de intentie werknemer bij de destijds nog op te richten Nederlandse dochtervennootschap in dienst te laten treden. Bij brief van 1 april 1981 heeft Marposs werknemer toegezegd dat in de arbeidsovereenkomst met Marposs B.V. een pensioentoezegging zou worden opgenomen die minimaal gelijk was aan een eindloonregeling. Werknemer is met ingang van 1 juni 1981 bij Marposs B.V. in dienst getreden. Op 1 januari 1986 is ten behoeve van werknemer bij Centraal Beheer Achmea een pensioenregeling afgesloten op basis van beschikbare premie. Daarmee is de pensioenregeling op basis van eindloon beëindigd. Marposs B.V. heeft haar activiteiten in 1999 gestaakt. Werknemer is op 1 februari 1999 bij Marposs in dienst getreden. Marposs heeft mede ten behoeve van werknemer bij Alte Leipziger een bedrijfspensioenverzekering (naar Duits recht) afgesloten en heeft de betalingen aan Centraal Beheer Achmea voortgezet. Bij brief van 6 juni 2015 heeft werknemer Marposs gewezen op de toezegging van 1 april 1981 en aanspraak gemaakt op nakoming daarvan. Werknemer heeft bij de kantonrechter onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat Marposs toerekenbaar tekort is geschoten en haar te veroordelen tot betaling van € 381.953 aan een door werknemer aan te wijzen pensioenfonds. De kantonrechter heeft bij eindvonnis van 13 februari 2019 de vorderingen afgewezen. In hoger beroep vordert werknemer onder meer dat het hof Marposs, ter nakoming van het pensioenreglement uit 1981, zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 459.220 aan een door werknemer aan te wijzen pensioenuitvoerder.
Oordeel
Verjaring
Marposs heeft zich verweerd tegen de vorderingen met een beroep op verjaring. Marposs heeft er in dat verband op gewezen dat het hier gaat om een toezegging die dateert uit 1981, terwijl al in 1986 een andere pensioenregeling is afgesloten op basis van beschikbare premie, waarbij de eerdere pensioentoezegging is vervallen. Werknemer had dus al in 1986 kunnen opkomen tegen deze wijziging in zijn arbeidsvoorwaarden, maar heeft dat nagelaten. Werknemer heeft in een brief van 6 juni 2015 Marposs aangesproken op de toezegging van 1 april 1981. Volgens Marposs was dit te laat en was de vordering van werknemer toen al verjaard. Het hof volgt Marposs in dit verweer. Ook een verdere, inhoudelijke beoordeling van de vordering zou niet tot toewijzing leiden. Het hof is van oordeel dat – zelfs als het hof het beroep van Marposs op verjaring zou verwerpen – ook een verdere, inhoudelijke, beoordeling van de vordering niet tot toewijzing daarvan zou kunnen leiden. Het hof licht dat hierna toe.
Goed werkgeverschap
De stelling van werknemer dat Marposs het verwijt treft dat zij niet de regels van goed werkgeverschap in acht heeft genomen door hem onvoldoende te informeren over de pensioenoverdracht, kan hem evenmin baten. In de eerste plaats geldt hier dat de pensioenoverdracht is uitgevoerd toen Marposs B.V. de werkgever van werknemer was en niet Marposs (GmbH). Indien en voor zover op dit punt al een verwijt gemaakt kan worden, zou dit slechts aan het adres van Marposs B.V. gemaakt kunnen worden. In de tweede plaats heeft werknemer ter zitting verklaard dat er destijds, in 1986, door zijn leidinggevende met hem is gesproken over de omzetting van de pensioenregeling naar een collectieve regeling. Werknemer heeft op dat moment geen vragen gesteld, omdat zijn leidinggevende zelf ook had ingestemd met deze omzetting. Welke informatie verder op dat moment al dan niet aan werknemer is verstrekt, kan nu niet meer worden vastgesteld, omdat Marposs B.V. is opgehouden te bestaan en alle administratie van Marposs B.V. daarna verloren is gegaan. Het hof brengt dit voor risico van werknemer, die zich pas bij memorie van grieven in 2020, 21 jaar nadat Marposs B.V. haar activiteiten had gestaakt, voor het eerst beroept op de stelling dat er geen sprake is van goed werkgeverschap. Overigens heeft werknemer zelf ook onvoldoende concreet onderbouwd welke informatie destijds nog meer verstrekt had moeten worden, maar toen ontbrak. Het hof is daarom van oordeel dat dit beroep, ook als het inhoudelijk zou worden beoordeeld, niet gegrond is.
Nieuwe arbeidsovereenkomst in 1999 staat in de weg aan toewijzing van de vordering
Het hof vindt bovendien dat de nieuwe arbeidsovereenkomst die werknemer in 1999 met Marposs heeft gesloten ook aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat. Vast staat namelijk dat het hier om een nieuwe arbeidsovereenkomst gaat en niet om een voortzetting van de bestaande arbeidsovereenkomst met Marposs B.V. Marposs B.V. had op dat moment immers haar activiteiten gestaakt en er had geen overdracht van de onderneming van Marposs B.V. aan Marposs plaatsgevonden. Dat partijen in 1999 (opnieuw) met elkaar over de arbeidsvoorwaarden hebben onderhandeld, blijkt ook uit het feit dat in de nieuwe arbeidsovereenkomst door Marposs tevens een collectieve bedrijfspensioenverzekering (naar Duits recht) bij Alte Leipziger is afgesloten ten behoeve van werknemer. Weliswaar heeft Marposs (GmbH) voor werknemer de premiebetalingen onder de beschikbare premieregeling aan Centraal Beheer Achmea voortgezet, maar dat laat onverlet dat werknemer in 1999 een nieuwe arbeidsovereenkomst is aangegaan. De pensioentoezegging op basis van een beschikbare premieregeling vormde daarvan een onderdeel. Werknemer heeft daar in 1999 dus mee ingestemd. Het hof gaat er van uit dat werknemer op dat moment voldoende op de hoogte was van het karakter van de pensioenaanspraken die via Centraal Beheer Achmea werden opgebouwd. Marposs mocht er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat werknemer het in 1999 eens was met dit (andere) karakter van zijn pensioenopbouw. Dit alles maakt dat hij nu niet meer met succes aan Marposs kan tegenwerpen dat hij geen recht heeft op pensioenafspraken krachtens een eindloonregeling. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.