Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 oktober 2021
ECLI:EU:C:2021:862
Feiten
VA is blijvend gedeeltelijk arbeidsongeschikt omdat zij haar gezichtsvermogen is verloren, zoals blijkt uit een in 1976 verricht deskundigenonderzoek. Zij heeft de studie rechtsgeleerdheid voltooid en in 1977 met succes de juridische bekwaamheidsproef afgelegd. Daarna was zij werkzaam bij de blindenvereniging en de Europese Blindenunie. In 2014 werd VA na een door de gemeenteraad van Sofia (Bulgarije) georganiseerde procedure toegelaten als jurylid bij de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije). Zij werd aangesteld bij de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) en bij loting toegewezen aan de zesde strafkamer daarvan, waarin rechter UB en drie andere juryleden zitting hadden. Zij heeft in die hoedanigheid bij die rechterlijke instantie de eed afgelegd op 25 maart 2015. In de periode van 25 maart 2015 tot en met 9 augustus 2016 heeft VA aan geen enkele strafzitting deelgenomen. Zij heeft de president van de Sofiyski rayonen sad, te weten TC, in mei 2015 verzocht om aan een andere rechter te worden toegewezen, maar geen antwoord ontvangen. Op 24 september 2015 heeft VA zich tot de commissie voor de bescherming tegen discriminatie gewend, waarbij zij aanvoerde dat zij op grond van haar handicap was benadeeld door rechter UB, die haar aan geen enkele strafprocedure had laten deelnemen, en door TC, die geen gehoor had gegeven aan haar verzoek om aan een andere rechter te worden toegewezen teneinde haar recht op arbeid als jurylid te kunnen uitoefenen. TC en UB hebben zich daartegen verweerd door zich met name te beroepen op de aard van de verplichtingen van juryleden, op de noodzaak om over specifieke fysieke kenmerken te beschikken en op het bestaan van een wettelijk doel, te weten de inachtneming van de beginselen van het wetboek van strafvordering, welk doel volgens hen overeenkomstig artikel 7, lid 1, punt 2, van de antidiscriminatiewet rechtvaardigt dat VA verschillend wordt behandeld op grond van een kenmerk dat verband houdt met een handicap. TC en UB hebben een boete opgelegd gekregen. Hiertegen zijn zij in bezwaar gegaan. De verwijzende rechter stelt vragen aan het Hof.
Oordeel
Het Hof van Jusitite EU oordeelt als volgt.
Bezoldigd jurylid met zichtbeperkingen (blindheid) valt onder reikwijdte Richtlijn 2000/78/EG
Een onderscheid op grond van fysieke capaciteiten valt onder de bescherming van Richtlijn 2000/78/EG. Niettemin kan het feit dat iemand beschikt over bijzondere fysieke capaciteiten, volgens de rechtspraak van het Hof worden geacht een ‘wezenlijk en bepalend beroepsvereiste’ in de zin van artikel 4 lid 1 Richtlijn 2000/78/EG te zijn voor de uitoefening van bepaalde beroepen zoals brandweerman of politieagent. Evenzo kan het feit dat het gehoorvermogen moet voldoen aan een in de nationale regeling vastgelegde minimumgehoordrempel worden beschouwd als een wezenlijk en bepalend vereiste voor de uitoefening van het beroep van penitentiair beambte (zie in die zin HvJ EU 15 juli 2021, C-795/19, ECLI:EU:C:2021:606 (Tartu Vangla), punten 40 en 41). Het Hof heeft tevens geoordeeld dat het gezichtsvermogen een essentiële functie vervult voor het besturen van motorvoertuigen, zodat een door de Uniewetgever voor de uitoefening van het beroep van vrachtwagenchauffeur opgelegde vereiste minimale gezichtsscherpte in overeenstemming is met het Unierecht gelet op de doelstelling om de verkeersveiligheid te waarborgen (zie in die zin HvJ EU 22 mei 2014, C-356/12, ECLI:EU:C:2014:350 (Glatzel), punten 54 en 72). Op dezelfde wijze kan het gezichtsvermogen, wegens de aard van de taken van juryleden in strafzaken en de context waarin deze worden verricht – waarbij in sommige gevallen visuele bewijzen moeten worden onderzocht en beoordeeld – worden geacht ook voor het beroep van jurylid in strafzaken een ‘wezenlijk en bepalend beroepsvereiste’ in de zin van artikel 4 lid 1 Richtlijn 2000/78/EG te zijn, voor zover die bewijzen niet kunnen worden onderzocht en beoordeeld met behulp van in het bijzonder medisch-technische hulpmiddelen. Voorts kan de door TC en UB aangevoerde doelstelling om de beginselen van de strafprocedure – waaronder de beginselen van onmiddellijkheid en rechtstreekse beoordeling van de bewijzen – ten volle te eerbiedigen, een legitiem doel in de zin van artikel 4 lid 1 Richtlijn 2000/78/EG vormen.
Noodzakelijkheid
Derhalve dient te worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan VA opgelegde maatregel waarbij zij volledig werd uitgesloten van de uitvoering van de taken van een jurylid in een strafprocedure, geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken. Wat de evenredigheid van deze maatregel betreft, moet in aanmerking worden genomen dat artikel 5 Richtlijn 2000/78/EG, gelezen in het licht van de overwegingen 20 en 21 van deze richtlijn, bepaalt dat de werkgever – naargelang van de behoefte in een concrete situatie – passende maatregelen dient te nemen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen, tenzij deze maatregelen voor die werkgever een onevenredige belasting vormen (zie in die zin Tartu Vangla, punten 42 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wat de geschiktheid van die maatregel betreft, zij erop gewezen dat een dergelijke maatregel stellig bijdraagt tot de eerbiediging van de regels van het wetboek van strafvordering die betrekking hebben op het onmiddellijkheidsbeginsel en de rechtstreekse beoordeling van de bewijzen. Ten aanzien van de noodzaak van genoemde maatregel zij evenwel opgemerkt dat VA volledig werd uitgesloten van deelname aan de zaken die werden behandeld door de strafkamer waaraan zij was toegewezen, zonder dat haar individuele bekwaamheid om haar taken uit te voeren werd beoordeeld en zonder dat onderzocht werd of het mogelijk was om moeilijkheden te verhelpen die eventueel zouden rijzen.
Zoals blijkt uit de gegevens in het verzoek om een prejudiciële beslissing, mocht VA in casu in het geheel niet deelnemen aan strafzaken, zonder dat daarbij enig onderscheid werd gemaakt naargelang van de betreffende zaken en zonder dat werd nagegaan of haar redelijke aanpassingen zoals materiële, persoonlijke of organisatorische ondersteuning konden worden aangeboden. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter gaat bovengenoemde maatregel dus verder dan noodzakelijk is, temeer daar uit het verzoek om een prejudiciële beslissing naar voren komt dat VA na de invoering van de elektronische toewijzing van juryleden in augustus 2016 in die hoedanigheid heeft deelgenomen aan de berechting van tal van strafzaken. Zoals zowel de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen als de advocaat-generaal in punt 100 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan deze omstandigheid erop wijzen dat zij in staat is om de taken van een jurylid uit te voeren met volledige inachtneming van de regels van de strafprocedure.
Conclusie
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 2 lid 2 onder a en artikel 4 lid 1 Richtlijn 2000/78/EG, gelezen in het licht van de artikelen 21 en 26 van het Handvest en het VN-Verdrag, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een blinde persoon elke mogelijkheid wordt ontnomen om de taken van een jurylid in een strafprocedure uit te voeren.