Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26 oktober 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:11669
Feiten
Werkneemster is op 21 mei 2018 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij YoungCapital Flex B.V. (hierna: YC) (fase A). YC heeft werkneemster gedetacheerd bij de Belastingdienst, directie Klantinteractie & -services (hierna: KI&S), onderdeel van de BelastingTelefoon. Zij werkte aanvankelijk 20-28 uur per week en later, vanwege een betere werk-privébalans, 16 uur per week. Werkneemster en YC hebben op 30 januari 2020 een arbeidsovereenkomst bepaalde tijd fase B gesloten, waarin de inzet van werkneemster bij de BelastingTelefoon wordt voortgezet tot 15 november 2020. Op 6 juli 2020 heeft werkneemster gesolliciteerd naar de functie van medewerker BelastingTelefoon Eindhoven, bij de Belastingdienst, directie KI&S. Partijen hebben enige tijd gecorrespondeerd over de vraag of het diploma van werknemer voldeed, maar op enig moment is werkneemster door haar leidinggevende te kennen gegeven dat zij een ‘vaste aanstelling’ krijgt. Op 24 augustus 2020 heeft er een gesprek plaatsgevonden met werkneemster. Hierin is aangegeven dat er – gelet op het aantal contracturen van werkneemster – geen vertrouwen is in haar duurzame inzetbaarheid en flexibiliteit. KI&S heeft haar daarom laten weten dat haar contract niet zal worden verlengd. Werkneemster vordert onder meer veroordeling van de Belastingdienst om haar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de nieuwe functie aan te bieden voor 20 uur per week, per 1 december 2020. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat zij voor die functie in aanmerking kwam. De Belastingdienst heeft kort gezegd als verweer aangevoerd dat werkneemster niet voldeed aan de gestelde harde functie-eis, te weten de minimale beschikbaarheid van 20 uur per week.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat gedurende de sollicitatieprocedure niet zozeer de ‘uren-eis’ tussen partijen ter discussie stond, maar (slechts) de vraag of het diploma van werkneemster wel voldeed. Bovendien was namens werkneemster te kennen gegeven dat zij bereid was 20 uur per week te gaan werken, zodat zij in zoverre aan de gestelde uren-eis voldeed. Nadat bleek dat haar diploma voldeed, is het gehele team door de leidinggevende geïnformeerd dat alle ‘contractperikelen’ over zijn. Dat de leidinggevende dit zou doen als daar nog enige twijfel over zou bestaan, ligt naar het oordeel van de kantonrechter niet voor de hand. Het verweer van de Belastingdienst dat het werkneemster op grond van het mandaatbesluit duidelijk had moeten zijn dat haar leidinggevende niet bevoegd was om een vast dienstverband aan haar aan te bieden, wordt door de kantonrechter verworpen. Werkneemster ging er immers niet van uit dat haar leidinggevende haar een dienstverband aanbod, maar dat hij aan haar doorgaf wat het managementteam daarover had besloten. Vervolgens heeft de leidinggevende na navragen bij zijn meerdere op 4 augustus 2020 aan werkneemster bericht dat zij per 1 december 2020 een vaste aanstelling krijgt. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat bij werkneemster het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij een vaste aanstelling zou krijgen per 1 december 2020. Werkneemster mocht in de gegeven omstandigheden afgaan op de mededelingen die zij van haar leidinggevende kreeg. Werkneemster kan ook niet worden tegengeworpen dat het voor haar duidelijk was dan wel duidelijk had moeten zijn dat pas na het doorlopen van de gehele procedure (na het arbeidsvoorwaardengesprek en het overleggen van een VOG-verklaring) sprake had kunnen zijn van een vast dienstverband. Daarbij speelt mee dat werkneemster goed functioneerde; het arbeidsvoorwaardengesprek en de VOG zouden daarom nog slechts een formaliteit zijn. De Belastingdienst heeft in strijd met goed werkgeverschap gehandeld door werkneemster geen vast dienstverband aan te bieden. De vordering van werkneemster wordt toegewezen.