Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 12 januari 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:148
Feiten
Werkneemster is van 1 augustus 2018 tot 1 januari 2021 in dienst geweest bij Zetacom B.V. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat vergoeding van overwerk wordt geacht te zijn besloten in het maandsalaris, behoudens bijzondere gevallen waarin na voor het overwerk verkregen toestemming van de leidinggevende overuren gedeclareerd kunnen worden. In het personeelshandboek is een overwerkregeling opgenomen. Op 30 november 2020 heeft werkneemster haar ontslag ingediend per 1 januari 2021. Begin december 2020 hebben partijen gecorrespondeerd over nog te declareren overuren. Zetacom heeft toen aangegeven dat werkneemster haar overuren ‘gewoon’ kon declareren. Werkneemster heeft vervolgens een declaratieformulier ingediend. Zetacom heeft hier op 12 januari 2021 op gereageerd en aangegeven dat werkneemster haar overuren over heel 2020 heeft ingediend, maar dat deze per maand hadden moeten worden ingediend. Om werkneemster tegemoet te komen worden de overuren van de laatste drie maanden uitbetaald bij de eindafrekening. Werkneemster vordert veroordeling van Zetacom tot betaling van een vergoeding voor onder meer 344 overuren ten bedrage van € 6.050,96 bruto.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de kern gaat deze procedure over de vraag of werkneemster recht heeft op uitbetaling van de door haar gestelde overuren. Vastgesteld moet worden dat werkneemster in een e-mailbericht van 8 december 2020 na opzegging van haar dienstverband in algemene zin vraagt om goedkeuring van nog te declareren overuren en dat Zetacom in antwoord hierop geen voorbehoud heeft gemaakt voor wat betreft de periode waarover de overuren nog gedeclareerd mogen worden. Degene die dit namens Zetacom aan werkneemster heeft bericht, verkeerde weliswaar in de veronderstelling dat werkneemster met haar vraag de overuren van december 2020 bedoelde en dat zijn antwoord daarop gericht was, maar dit staat niet in het bericht zelf. Gesteld noch gebleken is dat werkneemster dit uit die verklaring heeft kunnen en moeten begrijpen. Uit het vervolg van het contact tussen partijen volgt juist dat Zetacom inziet dat dit niet het geval is. Naar het oordeel van de kantonrechter staat verder voldoende vast dat werkneemster van de termijn voor het indienen van overuren op de hoogte is. Anderzijds is ook gebleken dat werkneemster enkele keren heeft aangegeven dat het indienen van overuren veel tijd kost en dat Zetacom haar in dat verband ‘tijd heeft gegeven’ om een en ander in orde te maken. Gelet hierop en de afzonderlijke algemene toezegging over het indienen van de overurendeclaratie mocht en kon werkneemster er dan ook redelijkerwijs op vertrouwen dat zij alle overuren over 2020 mocht indienen. Zetacom heeft verder onvoldoende toegelicht dat zij nadeel heeft geleden door het moment en de wijze van indienen van de overurendeclaratie door werkneemster. Onder meer gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter de vordering van werkneemster toe. Zetacom dient haar een vergoeding te betalen van € 6.050,69 bruto voor 344 overuren.