Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 22 februari 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:1332
Feiten
Bij brief van 20 oktober 2015 heeft werknemer aan Zaagmaatschappij B.V. bericht dat de reistijden met de vrachtwagen (die elders geparkeerd stond en waar werknemer met de fiets eerst naar toe reed) naar de verdere bestemmingen op die dag en terug, niet zijn te beschouwen als onbetaalde reistijd in de zin van artikel 51 van de cao voor Bouwnijverheid (hierna: de cao). Bij e-mailbericht van 23 oktober 2015 heeft Zaagmaatschappij het standpunt van werknemer van de hand gewezen. Bij brief van 5 april 2016 is het geschil door werknemer voorgelegd aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid (TBB). Het TBB heeft op 23 februari 2017 een bindend advies uitgebracht waarin onder meer is overwogen dat het werk van werknemer aanvangt op het moment dat hij de vrachtwagen instapt en eindigt zodra hij de vrachtwagen verlaat. Hij heeft recht op loonbetaling over de tijd die hij besteedt aan het rijden van de vrachtwagen. Dat betekent ook dat artikel 51 cao niet van toepassing is op de tijd die werknemer besteedt aan het rijden van de vrachtwagen. Werknemer heeft Zaagmaatschappij bij brief van 4 april 2017 verzocht een berekening te maken van de op grond van het advies van het TBB nog te betalen uren en gesommeerd om tot betaling van het achterstallig salaris over te gaan. Zaagmaatschappij heeft bij brief van 11 april 2017 werknemer bericht dat zij het niet eens is met het advies van het TBB en daartoe niet zal overgaan. De arbeidsovereenkomst is per 4 oktober 2017 geëindigd. In de mede daartoe gesloten vaststellingsovereenkomst is ‘een eventuele claim van werknemer ter zake van reisurenvergoeding inclusief bijbehorende tegenvorderingen van werkgever’ van de finale kwijting uitgezonderd. Werknemer heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat het advies van het TBB bindend is en betaling van achterstallig loon. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen.
Oordeel
Het hof stelt allereerst vast dat de grieven van TBB gericht op het feit dat zij niet heeft ingestemd met het bindend advies falen. Ook de grieven gericht op de totstandkoming van het bindend advies, waar volgens Zaagmaatschappij procedurele gebreken aan kleven, falen. Werknemer heeft op basis van de wilsverklaring van de werkgever terecht mogen aannemen dat hij zich wilde binden aan het bindend advies. Het hof richt zich voorts op de grief dat aan het bindend advies inhoudelijke gebreken kleven. Daarbij overweegt het hof dat niet valt in te zien waarom de opvatting dat reistijd, die onderdeel uitmaakt van de bedongen arbeid, op zichzelf beschouwd in strijd is met enige wettelijke bepaling. Maar ook wanneer in het kader van een ingeroepen vernietiging de vraag voorligt of een bindend adviseur een – niet van openbare orde zijnde – wettelijke regel onjuist heeft toegepast dan wel of het bindend advies berust op een ongeldige regeling, stelt de rechter slechts een marginale toetsing op de uitkomst ter beschikking. Dat er in dit geval strijd is met een regel van openbare is gesteld noch gebleken. Ook is niet gebleken dat het advies onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is, zoals door Zaagmaatschappij is gesteld, terwijl in redelijk niet is vol te houden dat elke motivering ontbreekt en evenmin dat de aangevoerde argumenten als volstrekt niet steekhoudend kunnen worden aangemerkt. Het oordeel van TBB is volgens het hof niet onbegrijpelijk. Werknemer heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd. Deze gewijzigde vordering is gebaseerd op een nadere berekening van de reisuren. Inhoudelijk is deze nadere berekening niet bestreden. Het had voor de hand gelegen indien Zaagmaatschappij het hier inhoudelijk niet mee eens was, daartoe gedetailleerd en meer specifiek verweer te voeren. Dat zij dat niet heeft gedaan blijft dan in procedureel opzicht voor haar risico. Aan het toewijzen van deze vordering doet het finale kwijtingsbeding uit de vaststellingsovereenkomst niet af, nu deze in het licht van de Haviltexmaatstaf niet ziet op deze procedure.